ABRvS 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2750
Bij besluiten van 31 juli 2019 en 30 augustus 2019 heeft de korpschef van politie de door [bedrijf A] en [bedrijf B] gevraagde toestemming om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten geweigerd.[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de lichte aard van de mishandeling niet in haar beoordeling heeft betrokken. Zijn echtgenote had slechts een schrammetje op haar neusvleugel en hij is door het gerechtshof vrijgesproken van het aan haar haren trekken waardoor zij ten val zou zijn gekomen. De rechtbank had er ook rekening mee moeten houden dat het incident in de privésfeer heeft plaatsgevonden en dat dat niets zegt over zijn optreden in de openbaarheid. Daarnaast heeft de rechtbank buitenproportioneel veel gewicht toegekend aan het door het gerechtshof in zijn arrest aangenomen recidiverisico. Hij is niet eerder met politie of justitie in aanraking geweest. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de afwijzing van de aanvraag geen onevenredig nadeel voor hem met zich brengt.
De uitspraak op rechtspraak.nl