ABRvS 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:249
Bij besluit van 8 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellant] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] was dakloos en verbleef in crisisopvang De Zuiderburgh. Op 14 februari 2019 heeft het college hem medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. [appellant] heeft het college op 25 juni 2019 verzocht hem een urgentieverklaring te verlenen. Verblijf in de crisisopvang heeft een nadelige invloed op zijn gezondheid en verslavingsproblematiek. Volgens hem kan een behandeling alleen plaatsvinden vanuit een stabiele thuissituatie. Het college heeft het verzoek op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 afgewezen, omdat [appellant] verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang en het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl