ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2430
Bij besluit van 21 mei 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om herziening van de zorgtoeslag, het kindgebonden budget, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag over 2017 afgewezen. [appellante] huurde vanaf 5 januari 2017 woonruimte aan de [locatie A] te Schiedam van [verhuurder]. Bij besluit van 21 februari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2017 vastgesteld op nihil. In dat besluit is [verhuurder] als de toeslagpartner van [appellante] aangemerkt. Bij brief, door de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen op 11 april 2017, heeft [appellante] de dienst verzocht [verhuurder] niet als haar toeslagpartner aan te merken. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [appellante] een huurovereenkomst en bankafschriften overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek bij besluit van 24 juni 2017 afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl