ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1657

Bij besluit van 18 december 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellante] ingetrokken. Op 21 juli 2009 heeft [persoon] een verzoek ingediend om medenaturalisatie voor haar dochter, [appellante]. [appellante] beschikte op dat moment over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf bij ouder [persoon]". Bij Koninklijk Besluit van 11 december 2009 is aan [appellante] het Nederlanderschap verleend onder de personalia [naam A], geboren op [geboortedatum] 1993 te [plaats] in Kameroen. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellante] krachtens artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) ingetrokken omdat zij relevante feiten over haar identiteit heeft verzwegen, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die van belang waren voor het verzoek om medenaturalisatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken