ABRvS 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:164
Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 2000,00 ineens gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel aan de [locatie 1] in Den Haag als cateringbedrijf te beëindigen en beëindigd te houden. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat het gebruik van het pand in Den Haag in strijd is met het bestemmingsplan "Laakwijk - Schipperskwartier" en dat het college in het besluit van 11 juni 2010 niet impliciet vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend. Het college was dan ook bevoegd daartegen handhavend op te treden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen en dat de rechtbank niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien. [appellant] kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank over detailhandel en horeca.
De uitspraak op rechtspraak.nl