ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1423

Bij besluit van 13 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont in Den Haag in een portiekwoning op de vierde etage. Hij heeft ernstige lichamelijke en psychische klachten. Op 27 maart 2019 heeft hij een urgentieverklaring gekregen. Deze was drie maanden geldig. In die periode heeft hij geen woning kunnen vinden. Op 21 juni 2019 heeft hij het college gevraagd om de urgentieverklaring te verlengen. Deze aanvraag is afgewezen, omdat [appellant] zijn urgentieverklaring volgens het college niet adequaat heeft benut. Hij heeft te weinig gereageerd op woningen binnen zijn zoekprofiel. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft in het besluit op bezwaar de afwijzing in stand gelaten, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften.

De uitspraak op rechtspraak.nl