ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1418
Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de burgemeester aan [appellante] een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden. [appellante] woont aan de [locatie A] te Houten. Haar stiefvader, [naam stiefvader], woont aan de [locatie B] te Houten. Op 16 mei 2019 hebben twee wijkagenten van de wijk Houten Noord-West een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In dit proces-verbaal staat dat zij regelmatig meldingen van overlast ontvangen. Volgens die meldingen hebben [appellante] en [stiefvader] regelmatig ruzie met elkaar en met de buren. Eerder zijn ook meldingen ontvangen van een burenruzie aan de Melkhoeve, waarbij [appellante] één van de betrokkenen was. In het proces-verbaal is vermeld dat het ten tijde van het opmaken ervan, rustig is aan de Melkhoeve. De wijkagenten hebben verder geschreven dat bij hen de indruk bestaat dat [appellante] regelmatig bij haar stiefvader verblijft aan de Duitslag. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl