ABRvS 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1098

Bij besluit van 1 juli 2019 heeft de korpschef van politie geweigerd voor [appellant] toestemming te verlenen om werkzaamheden te verrichten, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. [appellant] dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, onder de naam [onderneming]. De minister van Justitie en Veiligheid heeft aan [onderneming] een vergunning verleend voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onder a, van de Wpbr. Op 20 februari 2019 is de korpschef namens [onderneming] verzocht om toestemming om [appellant] voor [onderneming] beveiligingswerkzaamheden uit te laten voeren. Uit de beschikbare informatie is de korpschef gebleken dat [appellant] te weinig verantwoordelijkheidsgevoel bezit en geldende rechtsregels makkelijk naast zich neerlegt. De korpschef heeft daarbij overwogen dat het [appellant] wordt aangerekend dat hij handboeien heeft gebruikt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken