ABRvS 6 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:6

Bij besluit van 3 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] voor een voorrangsverklaring afgewezen. [appellant] bewoont sinds 2012 een kamer in de woning aan de [locatie] te Den Haag. Zijn echtgenote is in 2015 bij hem komen wonen. Omdat zij zich niet mag inschrijven op dit adres, heeft zij een postadres. Volgens [appellant] wordt zijn echtgenote lastiggevallen door een medebewoonster. Deze medebewoonster is psychotisch en heeft de echtgenote van [appellant] bedreigd. De echtgenote van [appellant] durft de kamer niet meer uit, omdat de medebewoonster ook gebruik maakt van de gezamenlijke voorzieningen, zoals de keuken en de badkamer. Zijn echtgenote is onzeker en angstig en zij wordt ziek van de situatie, aldus [appellant]. [appellant] heeft vanwege deze situatie een voorrangsverklaring aangevraagd bij het college. De reden voor deze afwijzing is dat [appellant] de situatie volgens het college op een andere wijze kan oplossen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen