ABRvS 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3063
Bij brief van 12 februari 2019 heeft [appellant] de rechtbank verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van schade die hij heeft geleden wegens een onrechtmatig besluit. Op 4 juli 2018 heeft [appellant] ten behoeve van zijn echtgenote en zijn minderjarige zoons [zoon 1] en [zoon 2] aanvragen om verlening van een terugkeervisum, als bedoeld in artikel 2w, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvragen op dezelfde dag ingewilligd. Op het terugkeervisum van [zoon 2] is per abuis een verkeerde einddatum vermeld, te weten 31 augustus 2017 in plaats van 31 augustus 2018, waardoor hij op 19 augustus 2018 is geweigerd voor de terugvlucht vanuit Turkije naar Nederland. [appellant] is met [zoon 2] in Turkije achtergebleven en heeft een inreisvisum aangevraagd. Op 23 augustus 2018 is hij met [zoon 2] naar Nederland teruggereisd. In geschil is de hoogte van de door de staatssecretaris te betalen vergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl