ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2166
Bij uitspraak van 5 december 2018 heeft de rechtbank de door [appellant A] tegen verschillende besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij besluit van 9 januari 2019 heeft Bij besluit van 9 januari 2019 heeft het college de dwangsom ingevorderd ten aanzien van de woning [locatie 1]. de dwangsom ingevorderd ten aanzien van de woning [locatie 1]. Bij uitspraak van 11 juni 2019 heeft de rechtbank de door [appellanten] tegen verschillende besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. [appellanten] zijn eigenaar van een aantal woningen in Utrecht. Van het pand [locatie 2] zijn zij gezamenlijk eigenaar. De overige woningen waar het hier om gaat zijn in eigendom van [appellant A]. Volgens het college verhuren [appellanten] de woningen in strijd met de Huisvestingsverordening 2015 en de Huisvestingswet 2014 als onzelfstandige woonruimte. Het college heeft daarom lasten onder dwangsom en boetes opgelegd aan [appellanten].
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367
- ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1155
- ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452
- ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2079
- ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912
- ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:234
- ABRvS 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8431
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- ABRvS 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7766
- ABRvS 9 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5521
- EHRM 16 februari 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0216JUD002890195