ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1641
Bij besluit van 1 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellante] voor een voorrangsverklaring afgewezen. [appellante] woonde samen met haar vier kinderen bij haar moeder in Den Haag. Volgens haar was de woning niet geschikt voor het aantal personen dat daarin verbleef en leverde dat verblijf veel spanning en stress op. Daarnaast heeft zij borstkanker en voor het herstel tijdens en na de behandeling dient zij volgens de huisarts te beschikken over een stabiele thuissituatie. Zij heeft daarom een voorrangsverklaring aangevraagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellante] niet buiten eigen schuld en toedoen in een situatie verkeerde waarin zij binnen drie maanden andere woonruimte behoefde. Volgens het college kon [appellante] de situatie daarnaast ook op een andere manier oplossen. Zij heeft er zelf voor gekozen haar eigen zelfstandige huurwoning te verlaten en bij haar moeder te gaan inwonen.
De uitspraak op rechtspraak.nl