ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1480
Het windpark De Drentse Monden en Oostermoer ligt grotendeels op het grondgebied van de gemeente Aa en Hunze en de gemeente Borger-Odoorn en bestaat uit 45 windturbines die staan verspreid over vier deelparken. Bij gecoördineerde besluitvorming heeft de minister van EZK bij de besluiten van 22 september 2016 het inpassingsplan "Windpark De Drentse Monden en Oostermoer" vastgesteld en een vergunning verleend op grond van de Wabo voor de bouw van de windturbines van het windpark. In deze procedure ligt fase 3 van de besluitvorming van het windpark ter beoordeling. In fase 3 zijn 18 uitvoeringsbesluiten genomen die betrekking hebben op vergunningen voor diverse activiteiten, waaronder de realisatie van inkoopstations, de aanleg van kabels en wegen en het vellen van houtopstand. Tevens zijn provinciale ontheffingen verleend voor het leggen van kabels, zijn waterwetvergunningen verleend, en een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 15 Wegw
- Artikel 30b Wet RvS
- Artikel 1:2 Awb
- Artikel 3:6 Awb
- Artikel 3:46 Awb
- Artikel 4:2 Awb
- Artikel 8:1 Awb
- Artikel 8:6 Awb
- Artikel 8:69a Awb
- Artikel 8:105 Awb
- Artikel 19d Nbw 1998
- Artikel 9b E-wet
- Artikel 9d E-wet
- Artikel 3.35 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.36 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 1.10 Barim
- Artikel 2.1 Wabo
- Artikel 2.2 Wabo
- Artikel 2.7 Wabo
- Artikel 2.11 Wabo
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4374
- ABRvS 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3209
- ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:523
- Rb. Rotterdam 26 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5015
- ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616
- ABRvS 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2002
- ABRvS 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:309
- ABRvS 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1898
- ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:869
- ABRvS 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215
- Rb. Zwolle-Lelystad 18 januari 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BV2049
- EHRM 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398