ABRvS 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1319
Bij besluit van 27 december 2018 heeft het CBR de geldigheid van het rijbewijs van [appellant] geschorst en een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. De korpschef van de Politie Eenheid Midden-Nederland heeft het CBR op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig van categorieën AMBT te besturen. Aan de mededeling ligt ten grondslag dat [appellant] volgens het door verbalisanten op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 24 september 2018 als bestuurder van een personenauto is aangehouden op verdenking van rijden onder invloed in de zin van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw 1994. Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. [appellant] is het hier niet mee eens.
De uitspraak op rechtspraak.nl