ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1261

Bij besluit van 1 februari 2018, verzonden 5 februari 2018, heeft de raad voor rechtsbijstand de vergoeding vastgesteld voor werkzaamheden die [appellant] op basis van een toevoeging heeft verricht. Op 28 november 2017 heeft de raad aan een Syrische vreemdeling een toevoeging verleend voor rechtsbijstand door [appellant] in een algemene asielprocedure. In die procedure zijn een eerste en een nader gehoor afgenomen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de asielaanvraag vervolgens bij besluit van 11 december 2017 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er sprake is van een veilig derde land waar de vreemdeling zich kan vestigen. [appellant] heeft op 12 januari 2018 bij de raad een aanvraag om vergoeding ingediend en het verzoek gedaan om de zaak als standaardzaak te mogen declareren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken