ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152
Bij brief van 15 februari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning afgewezen. Tevens heeft het college bepaald dat het [appellant] een dwangsom van € 2.300,00 verschuldigd is. In 2017 heeft [appellant] een huisvestingsvergunning aangevraagd. Omdat het college geen besluit op de aanvraag nam, heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 22 januari 2018 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van [appellant] en met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het college aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurde voor iedere dag waarmee het deze termijn van twee weken zou overschrijden, met een maximum van € 15.000,00.
De uitspraak op rechtspraak.nl