ABRvS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1434
Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende A]), [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende E] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende D]), [belanghebbende F] en [belanghebbende G] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende F]), [belanghebbende H] en [belanghebbende I] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende H]), en [belanghebbende J] en [belanghebbende K] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende J]) tegemoetkomingen in planschade toegekend van respectievelijk € 10.500,00, € 12.000,00, € 5.700,00, € 6.400,00, € 10.300,00 en € 7.800,00, elk van de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl