ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1353

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

201600220/1/R2.
Datum uitspraak: 24 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te Montfoort,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Montfoort,
3. de erven van [appellant sub 3], hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3], wonend te Montfoort,
4. [appellant sub 4], wonend te Montfoort,
5. [appellant sub 5], wonend te Montfoort,
6. [appellant sub 6A] en anderen, allen wonend te Montfoort,
7. [appellant sub 7], wonend te Montfoort,
8. Zeil-Doek B.V., [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna tezamen en in enkelvoud: Zeil-Doek B.V.), alle gevestigd te Montfoort,
en
de raad van de gemeente Montfoort,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en anderen, [appellant sub 7] en Zeil-Doek B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 4], [appellant sub 5], Zeil-Doek B.V. en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2017, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Overwegingen

Het plan

1 Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", vastgesteld door de raad op 11 maart 2013. Bij uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, heeft de Afdeling een aantal plandelen van dit bestemmingsplan vernietigd en de raad opgedragen om binnen 36 weken met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. Met het plan beoogt de raad te voorzien in een reparatie van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling. Verder heeft de raad met het plan uitvoering gegeven aan de bij besluit van 10 december 2013 door het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de raad gegeven proactieve aanwijzing om het bestemmingsplan voor het buitengebied in overeenstemming te brengen met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 (hierna: provinciale verordening). Ook heeft de raad met het plan een aantal in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gebleken onjuistheden hersteld en voor een aantal kleinschalige ontwikkelingen in het plangebied in het daarvoor benodigde planologische kader voorzien. Verder is het plan conserverend van aard.

Het toetsingskader

2 Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

3 Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de planregeling voor de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Aan genoemde percelen is de bestemming "Agrarisch", de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" en een bouwvlak toegekend. Verder is het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen een aantal planregels die voor deze gronden gelden, maar daarnaast ook gelden voor alle in het plangebied aangewezen gronden met de bestemming "Agrarisch", de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en de gronden met de functieaanduiding "fruitteelt".

Omvang van het beroep

4 [appellant sub 1] betoogt in zijn algemeenheid dat de raad met de vaststelling van het plan meer heeft gedaan dan hij uit een oogpunt van zorgvuldigheid bij een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" mocht doen. Verder betoogt hij dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht en bestrijdt hij de juistheid van een aantal ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigde planregels.

Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat een belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb tegen het plan beroep kan instellen. Dit betekent dat [appellant sub 1] beroep kan instellen tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover deze betrekking hebben op gronden die wat betreft de ligging ten opzichte van het perceel van [appellant sub 1] op zodanige afstand hiervan zijn gelegen dat, mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt, kan worden aangenomen dat hij bij deze onderdelen van het plan een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Voor zover [appellant sub 1] in zijn beroep de juistheid van planregels bestrijdt die betrekking hebben op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "fruitteelt" zijn toegekend, zal de Afdeling de bespreking hiervan beperken tot de gronden die wat de ruimtelijke uitstraling hiervan betreft binnen de invloedsfeer van zijn perceel zijn gelegen. [appellant sub 1] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zijn beroepsgronden tegen de planregels zo moeten worden begrepen.

4.1 Voor zover [appellant sub 1] in zijn beroep de juistheid van artikel 4, leden 4.4.11, 4.5.4, onder a, en 4.6.7, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels bestrijdt, overweegt de Afdeling dat deze betrekking hebben op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" is toegekend. Uit de verbeelding blijkt dat gronden met deze bestemming op een grotere afstand dan 700 m van het perceel van [appellant sub 1] zijn gelegen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij de genoemde planregels en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

4.1.1 Het beroep van [appellant sub 1], voor zover dit is gericht tegen artikel 4, leden 4.4.11, 4.5.4, onder a, en 4.6.7, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels, is niet-ontvankelijk.

Procedurele beroepsgronden

4.2 [appellant sub 1] voert in zijn algemeenheid aan dat het plan ten onrechte in meer wijzigingen van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2012" voorziet dan uit de in de genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 en in de genoemde proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit en dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Hij betoogt in dit verband verder dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht, door bij de vaststelling van het plan alsnog artikel 3, lid 3.4.11 met betrekking tot het realiseren van tijdelijke woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger, lid 3.5.1, onder a, met betrekking tot de opslag van goederen, en lid 3.6.6, aanhef en onder a tot en met c, met betrekking tot het realiseren van kuilplaten, in de planregels op te nemen. Hij wijst in dit verband op de omstandigheid dat hierdoor slechts in beperkte mate een planologische procedure is gevolgd, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak, en dat het besluit tot vaststelling van het plan hierdoor niet tijdig is genomen.

4.3 Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de raad in het plan meer heeft geregeld dan uit de in de genoemde uitspraak en de proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. In hetgeen [appellant sub 1] betoogt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bevoegdheid van de raad bij het vaststellen van het voorliggende plan beperkt zou zijn tot de bedoelde gegeven opdrachten.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de bedoelde wijzigingen ten onrechte eerst na het ontwerpplan in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vast staat dat de raad door na de terinzagelegging van het ontwerpplan artikel 3, lid 3.4.11, lid 3.5.1, onder a, en lid 3.6.6, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels op te nemen, het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan. De door [appellant sub 1] genoemde afwijkingen van het ontwerp zijn naar het oordeel van de Afdeling naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet op de aard en de reikwijdte van deze wijzigingen van de planregels, heeft de raad hiervoor de wettelijke procedure niet opnieuw hoeven te doorlopen.

Het betoog faalt.

4.4 Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat voorafgaand aan het vaststellen van het plan met betrekking tot de wijzigingen van de planregels niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Gebleken is dat het voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het plan met de Nota van zienswijzen is besproken in de vergadering van het forum Ruimte op 12 oktober 2015, waar [appellant sub 4] mede namens [appellant sub 1] aanwezig was en ook heeft ingesproken.

4.5 Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het besluit tot vaststelling van het plan niet tijdig is genomen en dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gestelde termijn is overschreden, overweegt de Afdeling dat uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant sub 1] op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke beroepsgronden

5 [appellant sub 1] betoogt dat voor de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] is voorzien in verschillende nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden. Hij vreest hiervan negatieve gevolgen te zullen ondervinden. Hij wijst in dit verband op de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.2.4, onder b, sub 2, en onder c, sub 2, van de planregels naast de op de percelen [locatie 1], [locatie 2] aanwezige bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf ook een woonverblijf voor een rustende boer en op grond van lid 3.4.11 van de planregels een tijdelijke zelfstandige woonruimte voor een bedrijfsopvolger te mogen oprichten en op de mogelijkheid om op grond van lid 3.6.6 van de planregels kuilplaten buiten het bouwvlak te mogen realiseren. De mogelijkheden om een tijdelijke zelfstandige woonruimte voor een bedrijfsopvolger te mogen oprichten en kuilplaten buiten het bouwvlak te mogen realiseren gelden ten onrechte ook voor andere in de nabijheid van zijn perceel gelegen gronden met de bestemming "Agrarisch". Verder wijst hij op de mogelijkheid om op aan zijn perceel grenzende percelen waaraan tevens de functieaanduiding "fruitteelt" is toegekend, op grond van lid 3.5.1, onder a, van de planregels, kuilopslag buiten het bouwvlak en tijdens de fruitoogst tijdelijke opslag van fruitkisten te mogen realiseren.

De aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer"

6 [appellant sub 1] betoogt dat de vereiste noodzaak ontbreekt om op de percelen [locatie 1], [locatie 2] te voorzien in de mogelijkheid van een tweede wooneenheid en dat dit in strijd is met het uitgangspunt van het provinciaal en gemeentelijk beleid om maximaal één bedrijfswoning per agrarisch bouwvlak toe te staan. Hij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9189, ten aanzien van zijn beroep tegen het bestemmingsplan "[locatie 4]", vastgesteld door de raad op 25 januari 2010, in welk bestemmingsplan op genoemde percelen eveneens in een regeling voor een dergelijke tweede wooneenheid was voorzien. Deze planregeling is door de Afdeling vernietigd. Verder kan voor de aanwezigheid en het gebruik van de aanwezige wooneenheid geen beroep worden gedaan op hiervoor bestaande rechten, omdat willens en wetens is afgeweken van de hiervoor op 24 juni 2010 verleende omgevingsvergunning voor bouwen en het college van burgemeester en wethouders handhavend is opgetreden om de feitelijk aanwezige strijdige situatie te beëindigen.

6.1.1 Volgens de raad is bij besluit van 24 juni 2010 op grond van het op dat moment van kracht zijnde bestemmingsplan "[locatie 4]" een omgevingsvergunning voor bouwen verleend voor een tweede wooneenheid binnen hetzelfde gebouw als waarin zich de bestaande bedrijfswoning bevindt, met een omvang van 275 m3. Deze wooneenheid is inmiddels gebouwd en in gebruik genomen. Omdat het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ten onrechte niet in een passende regeling hiervoor voorzag en het, gelet op de belangen van de huidige gebruiker, onwenselijk is deze feitelijk bestaande situatie wat het gebruik betreft onder het overgangsrecht te laten voortbestaan, heeft de raad in het plan voorzien in een uitsterfregeling.

6.1.2 Artikel 3, lid 3.2.4, onder a, van de planregels, luidt als volgt: "binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan […]."

Lid 3.2.4, onder b, aanhef en sub 2, luidt als volgt: "in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ tevens een kleine agrarische bedrijfswoning toegestaan ten behoeve van de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer."

Lid 3.2.4, onder c, luidt als volgt: "de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat:

1 indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar;

b. in afwijking van het hiervoor bepaalde de inhoud van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ ten hoogste 250 m3 mag bedragen."

Lid 3.5.3 luidt als volgt: "De woning met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ mag uitsluitend worden gebruikt door de voorheen aan het bedrijf verbonden ondernemer en zijn of haar huishouden (rustende boer)."

Lid 3.7.6 luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders zijn - met toepassing van artikel 3.6 Wro - bevoegd de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ te verwijderen, indien deze tweede wooneenheid zijn functie ten behoeve van de 'rustende ondernemer' heeft verloren en de noodzaak daartoe is komen te vervallen."

6.1.3 Artikel 4.13, lid 4, van de provinciale verordening luidt als volgt: "Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in een maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare bouwperceel ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven. Hierbij is per bouwperceel een bedrijfswoning toegestaan en is binnen de agrarische bouwpercelen verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk […]."

6.1.4 Niet in geschil is dat voor de op de percelen [locatie 1], [locatie 2] aanwezige bedrijfswoning een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend voor een wooneenheid, met een omvang van 275 m3, binnen hetzelfde gebouw als waarin zich de bestaande bedrijfswoning bevindt. Bij de verlening van deze omgevingsvergunning is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de toegestane omvang van het bouwwerk met 10 procent te vergroten. Ten tijde van het vaststellen van het plan was deze omgevingsvergunning in rechte onaantastbaar. In beginsel dient legaal bestaande bebouwing en bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. De omstandigheid dat het bestemmingsplan "[locatie 4]", op welke grondslag deze omgevingsvergunning is verleend, bij de genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, wat betreft deze op de percelen toegestane tweede wooneenheid, is vernietigd, maakt niet dat dit recht om het vergunde bouwwerk te bouwen en te gebruiken niet langer bestaat. De raad heeft dienaangaande betoogd dat de gevestigde rechten en belangen met zich brengen dat de bestaande situatie, voor zover die in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning, alsnog als zodanig wordt bestemd. Hierbij neemt de raad in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat het bouwwerk en/of het gebruik binnen de planperiode wordt verwijderd en/of wordt beëindigd. In dit verband acht de raad het onwenselijk dat het bestaande gebruik opnieuw onder het overgangsrecht wordt gebracht, door dit niet als zodanig te bestemmen.

Ter zitting heeft [appellant sub 2A] onweersproken gesteld dat in september 2010 is gestart met de bouw van de bedrijfsopstallen op het perceel [locatie 3] en dat op dat moment ook de heipalen ten behoeve van de fundering van de bedrijfswoning met beide wooneenheden zijn aangebracht. Vanaf maart 2011 zijn de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de bedrijfswoning voortgezet en afgerond en is de bedrijfswoning met beide wooneenheden direct aansluitend voor bewoning in gebruik genomen. [appellant sub 2A] heeft de gebouwde wooneenheid, met het huisnummer [locatie 2], die is bedoeld ten behoeve van de "rustende ondernemer", betrokken. De [dochter] van [appellant sub 2A] is volgens [appellant sub 2A] de bedrijfsopvolger, maakt blijkens het overgelegde uittreksel uit het Handelsregister Kamer van Koophandel als vennoot deel uit van [bedrijf A] en is woonachtig in de wooneenheid met het huisnummer [locatie 1]. [appellant sub 1] heeft de juistheid van deze feiten niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat het toegestane gebruik van de tweede wooneenheid niet binnen een jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning is aangevangen en dat deze mogelijkheid daarom zou zijn vervallen, kan, wat hiervan ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de raad deze vergunde situatie niet langer in het plan als zodanig heeft kunnen bestemmen.

Aangezien de verleende omgevingsvergunning ziet op een tijdelijke situatie die na bedrijfsopvolging uitsluitend is bedoeld voor de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer, welke situatie eindigt indien de betreffende tweede wooneenheid zijn functie ten behoeve van de "rustende ondernemer" heeft verloren en de noodzaak daartoe is komen te vervallen, heeft de raad aanleiding gezien voor deze tijdelijke situatie in het plan een uitsterfregeling op te nemen. In artikel 3, lid 3.2.4, lid 3.5.3 en lid 3.7.6, van de planregels zijn zodanige beperkingen en regels opgenomen dat daaruit volgt dat deze situatie als tijdelijk geldt. De Afdeling acht deze handelwijze van de raad onder de genoemde omstandigheden niet onredelijk en er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet in overeenstemming zou zijn met het uitgangspunt dat binnen een bouwvlak ten hoogste één agrarische bedrijfswoning is toegestaan. In lid 3.2.4 van de planregels is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.3 van de provinciale verordening de maximale omvang van de bestaande bedrijfswoning, met de daarin aanwezige wooneenheden, vastgelegd. Wat het aantal op dit bouwperceel aanwezige wooneenheden betreft, neemt de Afdeling in aanmerking dat in de provinciale verordening niets is bepaald met betrekking tot situaties waarin, zoals in dit geval, ten tijde van de vaststelling van de verordening op een bestaand agrarisch bouwperceel reeds meer wooneenheden legaal aanwezig zijn.

Onder de genoemde omstandigheden heeft de raad de aan de percelen [locatie 1], [locatie 2] toegekende aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" en de in dit verband in het plan opgenomen planregeling in zoverre in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening mogen achten.

Het betoog faalt.

6.1.5 Voor zover [appellant sub 1] verwijst naar de gebleken afwijking van de verleende omgevingsvergunning en het strijdige gebruik van de tweede wooneenheid en het handhavend optreden door het college van burgemeester en wethouders om de feitelijk aanwezige strijdige situatie te beëindigen, is gebleken dat het een inpandige afwijking van de vergunde maatvoering van de toegestane wooneenheden betreft. Deze kwestie van het bouwen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en de vraag of de tweede wooneenheid daadwerkelijk wordt gebruikt ten behoeve van bewoning door de voorheen aan het bedrijf verbonden ondernemer en zijn of haar huishouden, zijn aspecten van handhaving. Deze hebben geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Tijdelijke woonruimte voor bedrijfsopvolger

7 [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte in de mogelijkheid voorziet om op grond van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels met een te verlenen omgevingsvergunning op gronden met de bestemming "Agrarisch", waaronder de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], een tijdelijke zelfstandige woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger te realiseren. Het op deze wijze in het plan toestaan van een extra bedrijfswoning op agrarische percelen is volgens hem in strijd met de provinciale verordening. Verder is de noodzaak hiervoor niet aangetoond, gelet op het feit dat er moderne communicatiemiddelen beschikbaar zijn die een dergelijke woonruimte onnodig maken en voldoende woningen beschikbaar zijn in de nabijgelegen woonkernen. Daarom is volgens [appellant sub 1] in zoverre niet voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verder betoogt [appellant sub 1] dat niet duidelijk is wat in de bedoelde planregel onder de begrippen "bedrijfsopvolger" en "een agrarische deskundige" moet worden verstaan.

7.1.1 Artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels luidt als volgt: "Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, met dien verstande dat:

a. medewerking wordt uitsluitend verleend voor tijdelijke woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger;

b. medewerking wordt uitsluitend verleend voor een periode van maximaal 5 jaar;

c. medewerking wordt uitsluitend verleend indien de tijdelijke woonruimte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;

d. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen;

[…];

g. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt;

h. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij de agrarische deskundige omtrent de vraag of de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering."

7.1.2 Ter zitting is vastgesteld dat de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], [locatie 5]en [locatie 6], waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak zijn toegekend, in de invloedsfeer van het perceel van [appellant sub 1] zijn gelegen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, heeft [appellant sub 1] ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. De planregeling voorziet ten aanzien van deze percelen in de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels met een te verlenen omgevingsvergunning te voorzien in een tijdelijke zelfstandige woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger.

Gelet hierop zal de Afdeling in het licht van de beroepsgronden van [appellant sub 1] beoordelen of deze planregeling zich voor de genoemde percelen verdraagt met het uitgangspunt in de provinciale verordening dat per bouwperceel een bedrijfswoning is toegestaan.

7.1.3 De afwijkingsregel van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels maakt het mogelijk om bij bedrijfsopvolging binnen het aan de genoemde percelen toegekende bouwvlak naast de reeds aanwezige bedrijfswoning tevens een tijdelijke zelfstandige woonruimte te realiseren in een binnen dat bouwvlak aanwezige agrarische bedrijfswoning, of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw ten behoeve van de bedrijfsopvolger. Naar het oordeel van de Afdeling leidt de toepassing van deze afwijkingsregel tot een uitbreiding van het aantal bedrijfswoningen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 4.13, lid 4, van de provinciale verordening dat per bouwperceel één bedrijfswoning is toegestaan. De provinciale verordening kent geen uitzondering op deze hoofdregel, ook niet wanneer het om een tijdelijke woonruimte in een bestaande bedrijfswoning of bijgebouw gaat. Het betoog van de raad dat de voorwaarden in de afwijkingsregeling waaronder van deze mogelijkheid gebruik mag worden gemaakt, waarborgen dat geen sprake is van een tweede reguliere bedrijfswoning, maar van een tijdelijke voorziening van beperkte omvang en dat hierdoor het aantal permanente woningen in het buitengebied niet zal toenemen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het betoog slaagt.

7.1.4 Gelet op de strijdigheid van de afwijkingsregeling van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels met de provinciale verordening voor zover deze afwijkingsregeling ziet op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], [locatie 5]en [locatie 6], behoeven de overige bezwaren van [appellant sub 1] tegen deze afwijkingsregel geen bespreking.

Kuilplaten

8 [appellant sub 1] richt zich verder tegen de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels kuilplaten buiten het bouwvlak te mogen realiseren. Hij betoogt dat dit een vergroting van het bouwvlak betekent. Dit is volgens hem in strijd met de provinciale verordening, die er vanuit gaat dat voor een agrarisch bedrijf een grootte van het bouwvlak van 1,5 ha, en op grond van een wijzigingsprocedure een uitbreiding tot 2,5 ha, voldoende is om te voorzien in een duurzame en doelmatige bedrijfsvoering. Verder betoogt hij dat niet is voorzien in een maximale oppervlakte of hoogte van deze buiten het bouwvlak toegestane opslag, waardoor geen rekening is gehouden met de milieutechnische gevolgen hiervan voor omwonenden. Verder is in dit verband niet bepaald wat dient te worden begrepen onder "onevenredige aantasting van het landschap". Hierdoor kunnen volgens [appellant sub 1] de ruimtelijke gevolgen van deze opslag niet deugdelijk worden afgewogen.

8.1.1 Artikel 3, lid 3.5.4, onder b, van de planregels luidt als volgt: "kuilplaten zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan."

Lid 3.6.6 luidt als volgt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.4 met betrekking tot het gebruik van gronden voor kuilplaten, met dien verstande dat:

a. kuilplaten aansluitend aan het bouwvlak moeten worden gerealiseerd;

b. kuilplaten noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse;

c. de kuilplaten niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap."

8.1.2 Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro luidt als volgt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels."

Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden, dient in een afwijkingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende afwijkingsregeling dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

8.1.3 De raad heeft in de in artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels opgenomen mogelijkheid voorzien, omdat het onder omstandigheden voor de bedrijfsvoering van een veehouderij noodzakelijk kan zijn om door het ontbreken van voldoende ruimte binnen het bouwvlak de benodigde kuilplaten geheel of gedeeltelijk buiten het bouwvlak te realiseren. De raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het onwenselijk is om ten behoeve van het mogelijk maken van voldoende ruimte voor kuilplaten het bouwvlak als zodanig te vergroten, aangezien dit ook de mogelijkheid van andere bebouwingsmogelijkheden zou vergroten, hetgeen tot een grotere aantasting van het open landschap zou leiden. Door de strikte voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de afwijking van de regel dat kuilplaten uitsluitend binnen een bouwvlak zijn toegestaan, wordt volgens de raad de aantasting van het open landschap voorkomen.

8.1.4 Wat de gestelde strijdigheid van de afwijkingsregel van artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels met de provinciale verordening betreft overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 1.1 van de provinciale verordening wordt onder "agrarisch bouwperceel" verstaan: "aaneengesloten terrein, waarbinnen bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, bedrijfswoning(en) met bijbehorend erf en tuin, andere bouwwerken zoals hooibergen, voersilo’s, kuilvoerplaten, mestopslag, erfverharding, parkeervoorzieningen en erfbeplanting zijn geconcentreerd."

In artikel 4.13, vierde lid, is bepaald:

"Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in een maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare bouwperceel ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven. Hierbij is per bouwperceel een bedrijfswoning toegestaan en is binnen de agrarische bouwpercelen verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk […]."

In artikel 4.13, vijfde lid, is bepaald:

"Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel tot maximaal 2,5 hectare voor bestaande grondgebonden veehouderijen en in een landbouwontwikkelingsgebied ook voor bestaande niet-grondgebonden veehouderijen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

[…]"

Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de planregels wordt in het plan onder bouwvlak verstaan: "een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten."

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels een regel bevat die een vergroting van het bouwvlak met zich meebrengt die in strijd is met artikel 4.13, vierde lid dan wel vijfde lid van de provinciale verordening, stelt de Afdeling vast dat deze planregel geen vergroting van het bouwvlak in de zin van het bestemmingsplan brengt en reeds daarom geen strijd oplevert met de bedoelde bepalingen uit de provinciale verordening die immers een maximum stellen aan de omvang van een bouwperceel onderscheidenlijk agrarisch bouwperceel.

Het betoog faalt.

8.1.5 In de afwijkingsregeling van artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels is naar het oordeel van de Afdeling in voldoende mate bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. In de planregeling is immers vermeld dat de kuilplaten uitsluitend aangrenzend aan het bouwvlak mogen worden gerealiseerd en dat aangetoond moet zijn dat het buiten het bouwvlak realiseren van kuilplaten voor de bedrijfsvoering van de betreffende veehouderij noodzakelijk is, omdat door het ontbreken van voldoende ruimte binnen het bouwvlak het niet mogelijk is de benodigde kuilplaten volledig binnen het bouwvlak te realiseren. Daarnaast zal moeten zijn aangetoond dat de kuilplaten niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap. Omdat het, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, in zijn algemeenheid is toegestaan om binnen agrarische percelen, ook buiten bouwvlakken, activiteiten met bijvoorbeeld landbouwvoertuigen te verrichten, is de ruimtelijke uitstraling van kuilplaten buiten het bouwvlak slechts relevant voor zover dit de mogelijke aantasting van het landschap betreft. Dit betekent dat naast de noodzaak voor de bedrijfsvoering de mogelijke ruimtelijke gevolgen, in dit geval de mogelijke aantasting van het landschap, de criteria zijn voor de beoordeling in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van de omgevingsvergunning mag overgaan. Wat betreft het betoog dat de voorwaarde uit de afwijkingsregeling door de bewoordingen "onevenredige aantasting" een vaag beoordelingskader vormt, overweegt de Afdeling dat dit een gebruikelijk criterium betreft. Het criterium "onevenredige aantasting" bepaalt dat in voorkomend geval een belangenafweging van alle betrokken belangen dient plaats te vinden.

Gelet op het vorenstaande is in zoverre niet gebleken dat artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels in strijd is met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro.

Het betoog faalt.

Kuilopslag en tijdelijke opslag van fruitkisten

9 [appellant sub 1] richt zich verder tegen de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels kuilopslag en tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst buiten het bouwvlak te mogen realiseren. Hij betoogt dat de noodzaak van deze mogelijkheid onvoldoende is aangetoond en wat betreft de daaruit voortvloeiende ruimtelijke gevolgen niet is gemotiveerd. Hierbij acht hij van belang dat de omvang hiervan en de locatie waar dit op de gronden is toegestaan ten onrechte niet voldoende zijn begrensd. Hierdoor is onduidelijk tot op welke afstand van zijn perceel deze opslag is toegestaan.

9.1 Artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels luidt als volgt: "opslag van goederen is - met uitzondering van kuilopslag en de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op de gronden met de aanduiding ‘fruitteelt’ - uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan."

Lid 3.5.1, onder b, luidt als volgt: "opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan."

9.2 De raad heeft in het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de opslag van goederen op gronden met de bestemming "Agrarisch" uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan. Voor zover permanente kuilopslag op kuilplaten plaatsvindt, acht de raad het ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het landschap gewenst dat kuilplaten vanwege de daarmee aanwezige verharding bij recht eveneens alleen binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Voor de mogelijkheid van kuilopslag op kuilplaten buiten het bouwvlak is in het hiervoor besproken artikel 3, lid 3.6.6, van de planregels in een afwijkingsregeling voorzien. In het plan is niet voorzien dat kuilopslag uitsluitend op kuilplaten is toegestaan. Dit betekent dat uit artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels volgt dat op de buiten het bouwvlak gelegen gronden ook zonder daarvoor gebruik te maken van kuilplaten, kuilopslag is toegestaan.

9.3 Ter zitting is vastgesteld dat het perceel van [appellant sub 1] binnen de invloedsfeer ligt van de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7], waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, heeft [appellant sub 1] ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. De planregeling voorziet ook ten aanzien van deze percelen op grond van artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels in de uitzondering dat kuilopslag buiten het bouwvlak is toegestaan.

De raad heeft ter zitting verklaard dat in artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels ten onrechte een uitzondering voor kuilopslag is opgenomen en dat dit niet in overeenstemming is met hetgeen de raad met deze regeling heeft beoogd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de in artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels opgenomen uitzondering van kuilopslag voor zover dit ziet op de genoemde percelen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

9.4 Voor zover in artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels tevens is voorzien in een uitzondering voor de opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op gronden met de aanduiding "fruitteelt", overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft de uitzondering in de planregeling om tijdens de periode van de fruitoogst de tijdelijke opslag van fruitkisten buiten het bouwvlak toe te staan opgenomen om fruittelers in deze periode niet onnodig in hun normale bedrijfsvoering te beperken. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat tijdens de periode van de fruitoogst binnen het bouwvlak over het algemeen te weinig ruimte aanwezig is om alle bij de fruitoogst benodigde fruitkisten op te kunnen slaan. Door deze opslag alleen tijdens de fruitoogst toe te staan, wordt de invloed hiervan op het landschap beperkt.

9.5 Ter zitting is vastgesteld dat het perceel van [appellant sub 1] binnen de invloedsfeer ligt van de percelen [locatie 5] en [locatie 7], waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "fruitteelt" zijn toegekend. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, heeft [appellant sub 1] ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. De planregeling voorziet ook ten aanzien van deze percelen op grond van artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels in de uitzondering dat de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst buiten het bouwvlak is toegestaan.

De Afdeling stelt vast dat de raad de noodzaak van deze uitzondering van de opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst voor de bedrijfsvoering van fruitteeltbedrijven aannemelijk heeft gemaakt. Het is inherent aan de bedrijfsvoering van fruitteeltbedrijven dat tijdens de periode van de fruitoogst lege fruitkisten, nodig voor de verzameling van het geplukte fruit, tijdelijk moeten worden opgeslagen op het perceel waar wordt geplukt. Niet is gebleken dat deze tijdelijke opslag, die beperkt is tot de periode van de fruitoogst die enkele weken in het jaar bedraagt, voor het perceel van [appellant sub 1] ernstige ruimtelijke gevolgen heeft, dan wel dat deze tijdelijke opslag zal leiden tot een ernstige aantasting van het landschap. In hetgeen [appellant sub 1] betoogt ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels wat betreft de hierin opgenomen uitzondering van fruitkisten tijdens de fruitoogst niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten.

Het betoog faalt.

Verwijzing naar zienswijzen

10 [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

11 Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, wat betreft artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels, voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], [locatie 5] en [locatie 6]. Het bestreden besluit dient tevens te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het de in artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels opgenomen uitzondering van kuilopslag betreft voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7].

Het beroep van [appellant sub 2]

12 Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de planregeling voor de percelen [locatie 1], [locatie 2]. Aan deze gronden is in het plan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" toegekend. Het college van burgemeester en wethouders heeft voor de aan de bedrijfswoning grenzende aanleunwoning voor de rustende boer een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend, die onherroepelijk is. [appellant sub 2] wenst deze aanleunwoning als bedrijfswoning te gebruiken en hij heeft daartoe op 10 september 2013 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Volgens [appellant sub 2] is in overleg met de gemeente voor een ruimere invulling van de aanleunwoning gekozen.

Verder betoogt [appellant sub 2] dat de op de percelen aanwezige dierenfysiotherapiepraktijk als nevenactiviteit ten onrechte niet als zodanig is bestemd. [appellant sub 2] acht een dergelijke nevenactiviteit passend in het buitengebied.

De aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer"

13 De raad stelt dat het in strijd is met het provinciaal en het gemeentelijk beleid om op een agrarisch bouwperceel een tweede bedrijfswoning toe te staan. In het plan is op de percelen [locatie 1], [locatie 2] een uitzondering gemaakt voor de in de bestaande bedrijfswoning aanwezige tweede wooneenheid, omdat ten behoeve hiervan een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend, die ten tijde van de vaststelling van het plan onherroepelijk was. Omdat hierbij is voorzien in een uitsterfregeling is dit een tijdelijke situatie. De raad wenst geen medewerking te verlenen aan het bestemmen van de feitelijke situatie van de tweede woonruimte, voor zover deze in afwijking van de omgevingsvergunning van 24 juni 2010 is gerealiseerd.

13.1 De wens van [appellant sub 2] om de op de percelen aanwezige tweede woonruimte te bestemmen als tweede bedrijfswoning leidt tot een uitbreiding van het aantal bedrijfswoningen, hetgeen zoals hiervoor onder 7.1.3 reeds is overwogen, in strijd is met het bepaalde in artikel 4.13, lid 4, van de provinciale verordening, waarin is vastgelegd dat per bouwperceel een bedrijfswoning is toegestaan. In het licht hiervan heeft de raad de bestemming van de aanwezige tweede woonruimte in redelijkheid kunnen beperken tot hetgeen is vergund in de omgevingsvergunning van 24 juni 2010.

Het betoog faalt.

13.2 Voor zover [appellant sub 2] verwijst naar de op 10 september 2013 ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen, is gebleken dat deze aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van een dierenfysiotherapiepraktijk op het perceel [locatie 3], welke omgevingsvergunning bij besluit van 17 oktober 2013 is verleend.

Ter zitting is door de raad medegedeeld dat deze omgevingsvergunning naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6633, alsnog op 29 november 2016 is geweigerd. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, ziet deze omgevingsvergunning niet op het gebruik van de op het perceel aanwezige aanleunwoning als bedrijfswoning. Niet is gebleken van een aanvraag of van een verleende omgevingsvergunning die ertoe strekt om de afwijking van de omgevingsvergunning van 24 juni 2010 en een ruimer gebruik van de tweede wooneenheid alsnog te vergunnen.

In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling stelt vast dat er ten tijde van het vaststellen van het plan geen concreet bouwplan bestond en bij de raad bekend was om de op het perceel aanwezige aanleunwoning als bedrijfswoning in gebruik te nemen.

Het betoog faalt.

Dierenfysiotherapiepraktijk

14 [appellant sub 2] wenst de mogelijkheid om op zijn perceel [locatie 3] in een agrarisch bedrijfsgebouw als nevenactiviteit een ruimte voor een dierenfysiotherapiepraktijk te mogen realiseren met een omvang van 50 m2.

14.1 De raad acht het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst dat zich in het buitengebied zelfstandige niet-agrarische bedrijven vestigen. De door [appellant sub 2] gewenste aanduiding voor een dierenfysiotherapiepraktijk zou volgens de raad betekenen dat een dergelijke zelfstandige niet-agrarische bedrijfsuitoefening mogelijk wordt gemaakt. Verder stelt de raad dat het plan voorziet in een regeling op grond waarvan nader genoemde nevenfuncties bij wijze van neventak zijn toegelaten op gronden met de bestemming "Agrarisch". Deze planregeling acht de raad passend voor de door [appellant sub 2] gewenste situatie.

14.2 Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder s, van de planregels luidt als volgt: "De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m2 aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie […]."

Lid 3.1, onder t, luidt als volgt: "de nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar als deze functie(s) omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering."

Lid 3.1, onder u, luidt als volgt: "de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins."

In tabel 3.1 is als bij recht toegestane nevenfunctie een aan-huis-gebonden beroep met een maximaal aantal van 50 m2 aan bebouwing opgenomen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.4, wordt in het plan onder het begrip "aan-huis-gebonden beroep" verstaan:

a. de uitoefening aan huis van een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen terrein;

b. bedrijfsactiviteiten, voor zover die behoren tot categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. bedrijfsactiviteiten, die niet voorkomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op omgeving hiermee gelijk kunnen worden gesteld.

Ingevolge artikel 1, lid 45, wordt in het plan onder "nevenfunctie" verstaan: "functie welke ondergeschikt is aan een hoofdfunctie, uit de hoofdfunctie dient minimaal 50 procent van de bedrijfsinkomsten te worden gegenereerd met dien verstande dat deze bepaling over bedrijfsinkomsten niet geldt voor nevenfuncties bij bestemming Wonen."

Artikel 3, lid 3.6.4, luidt als volgt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties, met inachtneming van de tabel en de volgende voorwaarden […]."

In tabel 3.2 zijn overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel nevenfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met genoemde nevenfuncties, met een maximaal aantal van 200 m2 aan bebouwing opgenomen.

14.3 De bij besluit van 17 oktober 2013 ten behoeve van een dierenfysiotherapiepraktijk op het perceel [locatie 3] verleende omgevingsvergunning voor bouwen is in de hiervoor onder 13.2 genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2014 herroepen, en het college van burgemeester en wethouders heeft naar aanleiding daarvan de omgevingsvergunning alsnog op 29 november 2016 geweigerd. De raad heeft aanleiding gezien de door [appellant sub 2] gewenste dierenfysiotherapiepraktijk op het perceel [locatie 3] in het plan toe te staan als nevenfunctie naast de hoofdfunctie als agrarisch bedrijf. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de [dochter] van [appellant sub 2] die de dierenfysiotherapiepraktijk exploiteert, als vennoot deel uitmaakt van [bedrijf A], zodat de exploitatie van deze dierenfysiotherapiepraktijk in dit geval in zoverre als nevenfunctie is toegestaan. [appellant sub 2] heeft ter zitting verklaard dat de met deze nevenfunctie verworven inkomsten in het agrarisch bedrijf als zijnde de hoofdtak zullen worden ingebracht. Niet is gebleken dat het vorenstaande onjuist is. Er is in zoverre geen strijd met de omschrijving van een nevenfunctie in artikel 1, lid 1.45, van het plan.

De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 2] in een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 50 m2 gewenste dierenfysiotherapiepraktijk als nevenactiviteit naast de hoofdfunctie als agrarisch bedrijf gezien kan worden als een aan-huis-gebonden beroep in de zin van artikel 1, lid 1.4, van de planregels, aangezien het daarbij gaat om beroepsmatige verlening van diensten aan huis op therapeutisch of hiermee gelijk te stellen terrein. In artikel 3, lid 3.1, is hiertoe voorzien in een planregeling, op grond waarvan [appellant sub 2] bij recht is toegestaan om deze praktijkruimte van 50 m2 als nevenactiviteit te gebruiken. Daarmee is in het plan in de wens van [appellant sub 2] voorzien, hetgeen de raad ter zitting heeft bevestigd. Gelet hierop en nu de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst is dat zich in het buitengebied zelfstandige niet-agrarische bedrijven vestigen, heeft de raad hiermee voorzien in een passende regeling. In het plan is verder in lid 3.6.4 in een afwijkingsregeling voorzien, op grond waarvan het onder voorwaarden mogelijk is om met een omgevingsvergunning ten behoeve van de gewenste dierenfysiotherapiepraktijk als nevenactiviteit te voorzien in een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 200 m2. Dit betekent dat voor [appellant sub 2] onder voorwaarden meer mogelijkheden bestaan om op zijn percelen als nevenactiviteit een dierenfysiotherapiepraktijk te realiseren.

Het betoog faalt.

Conclusie

15 Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

16 [appellant sub 3] richt zich tegen de voor het perceel gelegen tussen [locatie 8] en [locatie 9], kadastraal bekend gemeente Linschoten sectie F nummers 561 en 514, in het plan opgenomen regeling, voor zover aan de gronden de bestemming "Tuin" is toegekend, en ten behoeve van het aanwezige tuinhuisje en het aanwezige bijgebouw in nadere aanduidingen is voorzien. Het op het zuidelijk deel van de gronden aanwezige tuinhuisje is zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor bouwen opgericht. Het op het noordelijk deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" gelegen bijgebouw, dat eveneens zonder benodigde omgevingsvergunning is gebouwd, wordt gebruikt voor particuliere opslag. Met het plan zijn ook buiten het bouwvlak bouwmogelijkheden toegekend en wordt voor de gronden met de bestemming "Tuin" in uitgebreide gebruiksmogelijkheden voorzien. [appellant sub 3] noemt hierbij als voorbeeld dat met het plan rechtstreeks de mogelijkheid wordt toegekend om op die gronden een paardenbak inclusief bijbehorende verlichting te realiseren. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht of de aan de gronden toegekende bestemming "Tuin" overeenkomt met het feitelijke gebruik van het perceel en de raad heeft de ruimtelijke gevolgen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het woon- en leefklimaat van zijn perceel en voor de openheid van het landelijk gebied niet voldoende afgewogen.

16.1 De raad stelt dat met het aan een deel van de gronden van het betrokken perceel toekennen van de bestemming "Tuin" en het ten behoeve van het daar aanwezige tuinhuisje toekennen van de aanduiding "bijgebouw" wordt voorzien in het feitelijke en beoogde gebruik van de gronden en het aanwezige gebouw. Aan het noordelijk deel van de gronden van het perceel, waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" is toegekend, is in het plan ten behoeve van het ter plaatse aanwezige bijgebouw de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw" toegekend.

16.2 Artikel 21, lid 21.1, van de planregels luidt als volgt: "De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuin en erven;

b. toegangspaden;

c. opstelplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de toegangspaden;

d. paardenbakken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens;

[…];

g. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen": voor bestaande bijgebouwen ten dienste van de bestemming "Wonen";

h. bij deze bestemming behorende groen, water en verhardingen."

Lid 21.2, onder a, luidt als volgt: "Op de voor "Tuin" bestemde gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat:

1 de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen ten hoogste 2 m bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;

2 de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 m."

Lid 21.2, onder c, luidt als volgt: "In afwijking van het bepaalde onder a zijn bijgebouwen toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ en voor zover die aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan en waarbij de oppervlaktes, goot- en bouwhoogtes zoals deze aanwezig waren tijdens de terinzagelegging van het ontwerp van het plan als maximaal toelaatbaar gelden."

Lid 21.4 luidt als volgt:

"a. een paardenbak is slechts toegestaan ten dienste van de bij de tuin behorende woning;

b. de afstand van een paardenbak tot een naburig bouwperceel bedraagt ten minste 30 m;

c. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan;

d. een paardenbak mag maximaal 800 m² groot zijn. Indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een groter oppervlakte aanwezig was, geldt deze oppervlakte als maximaal toelaatbaar;

e. buitenverlichting is toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat:

1 de maximale hoogte van de lichtmasten is 4 m;

2 maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan;

3 de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst;

4 maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 m boven de bodem van de bak;

5 de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak;

6 de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur ’s avonds."

Artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder o, luidt als volgt: "De voor Agrarisch - Rivierzone aangewezen gronden, zijn bestemd voor ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - paardenbak’: tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens."

Lid 4.2.1, onder a, luidt als volgt: "hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw."

Lid 4.2.1, onder i, luidt als volgt: "ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gebouw’ geldt dat:

1 de aanwezige oppervlakte, goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar;

2 woningen niet zijn toegestaan."

16.3 De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" aan het noordelijke deel van de gronden van het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 8] en [locatie 9] de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en ter plaatse van het bestaande bijgebouw een bouwvlak is toegekend. Aan het zuidelijk deel van de gronden van het perceel was in genoemd bestemmingsplan de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" toegekend. Bij uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, heeft de Afdeling het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vernietigd, voor zover de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" ter plaatse van de gronden tussen de percelen [locatie 8] en [locatie 9] was toegekend. Dit betekent dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", voor zover dit ziet op het noordelijk deel van de gronden van het perceel, in rechte onaantastbaar is geworden. Het thans voorliggende plan voorziet voor dit noordelijke deel van de gronden niet in een wijziging van de geldende bestemming. Wat betreft het op het perceel binnen het in het reeds toegekende bouwvlak aanwezige bijgebouw, dat met het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" planologisch is toegestaan, voorziet het thans voorliggende plan slechts in een nadere aanduiding, waarmee in de planregeling van artikel 4, lid 4.2.1, onder i, de bestaande afmetingen als maximaal toelaatbaar worden vastgelegd. In samenhang met de planregeling van lid 4.2.1, onder a, betekent dit een beperking van de toegestane bouwmogelijkheden. De vraag of het bijgebouw daadwerkelijk wordt gebruikt voor agrarische doeleinden, betreft een aspect van handhaving. Dit heeft derhalve geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Verder is aan het noordelijke deel van de gronden, waarvoor de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" geldt, op de verbeelding bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", noch in de verbeelding bij het thans voorliggende plan voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak", zodat op dit deel van de gronden het realiseren van een paardenbak, inclusief bijbehorende verlichting, waarvoor [appellant sub 3] vreest, niet is toegestaan.

Het betoog faalt.

16.4 De raad stelt dat de gronden van het perceel waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend in de thans aanwezige situatie uitsluitend als tuin worden gebruikt en dat de eerder aan het perceel toegekende bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" niet langer wenselijk is en het ook niet de bedoeling is deze gronden als zodanig te gebruiken. Deze gronden behoren als tuin bij de woning van [belanghebbende C] op het perceel [locatie 10] en [belanghebbende C] heeft verklaard deze gronden, die hij in 2010 heeft gekocht, verder als tuin in gebruik te willen nemen, aangezien bij zijn woning een buitenruimte als tuin ontbreekt. Met de aanduiding "bijgebouw" ter plaatse van het al lang bestaande tuinhuisje wordt volgens de raad geen afbreuk gedaan aan de openheid van het buitengebied, omdat er van volledige openheid al geen sprake meer is.

16.5 De raad heeft aannemelijk gemaakt dat de bedoelde gronden in gebruik zijn als tuin en het is aannemelijk dat deze door [belanghebbende C] gewenste bestemming binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. De gronden bestaan uit een strook gras omzoomd met begroeiing in de vorm van bomen en struiken en zijn gescheiden van het noordelijk deel van de als agrarisch gebruikte gronden. Het tuinhuisje is bij het in gebruik nemen van de gronden in 2010 gerealiseerd en wordt gebruikt ten behoeve van het gebruik van de gronden als tuin. Deze feitelijke situatie is door [appellant sub 3] niet gemotiveerd betwist.

De Afdeling stelt vast dat de in artikel 21 van de planregels voor de gronden met de bestemming "Tuin" opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden, met uitzondering van de mogelijkheid om ter plaatse een paardenbak ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden te realiseren, zodanig beperkt zijn dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat deze mogelijkheden in dit geval tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] dan wel tot een onaanvaardbare aantasting van de openheid van het landelijk gebied zullen leiden. Wat de aanduiding voor het ter plaatse aanwezige tuinhuisje betreft, waaraan in het plan de aanduiding "bijgebouw" is toegekend, heeft de raad in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat dit tuinhuisje al geruime tijd op het perceel aanwezig is en niet bijdraagt aan een onevenredige verslechtering van de openheid van het landschap.

Uit artikel 4, lid 4.2.1, onder i, van de planregels volgt dat de omvang van het toegestane bijgebouw is beperkt tot de omvang van het bestaande tuinhuisje en dat de bouw van woningen ter plaatse niet is toegestaan. Voor een grotere aantasting van het woon- en leefklimaat voor [appellant sub 3] als gevolg van bouwmogelijkheden en een verdere aantasting van de openheid van het landschap hoeft met de mogelijkheden die het plan in zoverre biedt, dan ook niet te worden gevreesd. Onder deze omstandigheden heeft de raad het aan de gronden van het perceel toekennen van de bestemming "Tuin" in zoverre in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

Het betoog faalt.

16.6 Wat de mogelijkheid betreft om op de gronden met de bestemming "Tuin" een paardenbak te realiseren, overweegt de Afdeling dat deze mogelijkheid in artikel 21, lid 21.4, van de planregels weliswaar aan strikte specifieke gebruiksregels is gebonden, maar dat gelet op de beperkte omvang van deze gronden en de ligging daarvan ten opzichte van het perceel van [appellant sub 3], niet uitgesloten kan worden geacht dat de aanwezigheid van een dergelijke paardenbak zal kunnen leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht of de mogelijkheid van een paardenbak in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar is. Ter zitting heeft [belanghebbende C] verklaard dat hij aan een paardenbak op zijn gronden geen behoefte heeft en van deze mogelijkheid ook geen gebruik wenst te maken.

Het betoog slaagt.

Conclusie

17 Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] gegrond. Het plan dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft artikel 21, lid 21.1, aanhef en onder d, van de planregels, voor het zuidelijke deel van de gronden van het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 8] en [locatie 9].

Het beroep van [appellant sub 4]

18 Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie 11]. Aan deze gronden zijn de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en de aanduidingen "gebouw", "specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke bepaling 1" en "bijgebouw" toegekend. Op het perceel is niet voorzien in een bouwvlak. Het beroep is tevens gericht tegen een aantal planregels die voor deze gronden geldt, maar daarnaast ook voor alle in het plangebied aangewezen gronden met de bestemmingen "Agrarisch - Rivierzone" en "Agrarisch" en de aanduiding "fruitteelt". Volgens [appellant sub 4] leidt de planregeling in zoverre tot een ernstige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en het woon- en leefklimaat en de gezondheid van een groot deel van de bewoners van het stedelijk gebied van Montfoort.

Omvang van het beroep

19 [appellant sub 4] betoogt in zijn algemeenheid dat de raad met de vaststelling van het plan meer heeft gedaan dan hij uit een oogpunt van zorgvuldigheid bij een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" mocht doen. Verder betoogt hij dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht en bestrijdt hij de juistheid van een aantal ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigde planregels.

Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat een belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb tegen het plan beroep kan instellen. Dit betekent dat [appellant sub 4] beroep kan instellen tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover deze betrekking hebben op gronden die wat betreft de ligging ten opzichte van het perceel van [appellant sub 4] op zodanige afstand hiervan zijn gelegen dat, mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt, kan worden aangenomen dat hij bij deze onderdelen van het plan een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft.

Voor zover [appellant sub 4] in zijn beroep de juistheid van planregels bestrijdt die betrekking hebben op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" is toegekend, zal de Afdeling de bespreking hiervan beperken tot de gronden die wat de ruimtelijke uitstraling hiervan betreft binnen de invloedsfeer van zijn perceel zijn gelegen. [appellant sub 4] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zijn beroepsgronden tegen de planregels zo moeten worden begrepen.

19.1 Voor zover [appellant sub 4] in zijn beroep de juistheid van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, en lid 3.5.1, onder a, van de planregels bestrijdt, overweegt de Afdeling dat deze bepaling betrekking heeft op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Uit de verbeelding blijkt dat gronden met deze bestemming op een grotere afstand dan 800 m van het perceel van [appellant sub 4] zijn gelegen. Dit geldt ook voor de gronden waaraan tevens de aanduiding "fruitteelt" is toegekend. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [appellant sub 4] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij de genoemde planregels en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 4], voor zover dit is gericht tegen artikel 3, lid 3.2.1, onder a, en lid 3.5.1, onder a, van de planregels, is niet-ontvankelijk.

Procedurele beroepsgronden

20 [appellant sub 4] voert in zijn algemeenheid aan dat het plan ten onrechte in meer wijzigingen van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2012" voorziet dan uit de in de genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 en de genoemde door de proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit en dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Hij betoogt in dit verband verder dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht, door bij de vaststelling van het plan alsnog een aantal planregels op te nemen dan wel te wijzigen.

21 Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat de raad in het plan meer heeft geregeld dan uit de in de genoemde uitspraak en de proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. In hetgeen [appellant sub 4] betoogt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarbij in dit geval beperkt zou zijn tot de bedoelde gegeven opdrachten.

Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat de bedoelde wijzigingen ten onrechte eerst na het ontwerpplan in het plan zijn opgenomen overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. De door [appellant sub 4] genoemde afwijkingen van het ontwerp zijn naar het oordeel van de Afdeling naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet op de aard en de reikwijdte van deze wijzigingen van de planregels, heeft de raad hiervoor de wettelijke procedure niet opnieuw hoeven te doorlopen.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke beroepsgronden

De begrippen "overkapping" en "overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde" en de mogelijkheid om deze op het perceel te realiseren

22 [appellant sub 4] betoogt dat door het in artikel 1 van de planregels ontbreken van een omschrijving wat onder de begrippen "overkapping" en "overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde" dient te worden verstaan, het verschil tussen beide begrippen ontbreekt en derhalve onduidelijk is wat op de gronden van het perceel [locatie 11] is toegestaan. Hij wijst in dit verband op artikel 40, lid 40.2, van de planregels en dat in de planregeling voor een "overkapping" geldt dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan en dat "overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde" ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Hij vreest een ernstige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en openheid van het buitengebied door de mogelijkheid om op grond van artikel 40, lid 40.2, onder h, van de planregels zonder enige beperking buiten het bouwvlak overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van 3 m te realiseren.

22.1 Artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels luidt als volgt: "hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw"."

Artikel 40, lid 40.2, luidt als volgt: "De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag - tenzij in hoofdstuk 2 van deze regels anders is bepaald - niet meer bedragen dan:

a. van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevel van hoofdgebouwen en de openbare weg 1 m met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevel van agrarische hoofdgebouwen en de openbare weg 2 m mag bedragen;

b. van erf- en terreinafscheidingen elders 2 m;

c. van overkappingen 3 m;

d. van lichtmasten 12 m;

e. van overig straatmeubilair 6 m;

f. van antennes 5 m;

g. van tuinmeubilair 2 m;

h. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m."

22.2 De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van het perceel geen bouwvlak is toegekend en dat voor de op de gronden toegestane bebouwing de aanduidingen "gebouw", "specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke bepaling 1" en "bijgebouw" zijn toegekend.

Artikel 4, lid 4.2.3, onder h, van de planregels luidt als volgt: "op de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke bouwbepaling 1" mag - in afwijking van het bepaalde voor de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw" - een nieuw gebouw worden gebouwd met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 m respectievelijk 4 m en een oppervlakte van maximaal 50 m2, indien de overige 2 bijgebouwen op het bijbehorende perceel zijn gesloopt."

In artikel 40, lid 40.2, is de bouwhoogte opgenomen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen verschillende bouwwerken.

Ingevolge artikel 1, lid 1.27, van de planregels wordt onder een bouwwerk verstaan: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond."

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die in lid 40.2 niet onder een van de onder a tot en met g genoemde bouwwerken vallen, vallen onder de onder h genoemde categorie overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor net als voor overkappingen een maximale bouwhoogte van 3 m geldt. In zoverre bestaat er dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de in de planregels gehanteerde begrippen "overkapping" en "overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde" onduidelijk zijn en dat in de planregels ten onrechte een omschrijving ontbreekt wat onder deze begrippen moet worden verstaan.

22.3 Ten aanzien van overkappingen is in artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels bepaald dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Nu aan de gronden van het perceel geen bouwvlak is toegekend, is het niet toegestaan om op het perceel overkappingen te realiseren. Voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is in de planregels, met uitzondering van lichtmasten, niet de beperking opgenomen dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling niet onduidelijk wat op de gronden van het perceel [locatie 11] is toegestaan. In aanmerking genomen de afstand tussen het perceel [locatie 11] en de woning van [appellant sub 4] van ongeveer 50 m en de aanwezigheid van een groensingel en een windscherm langs het perceel [locatie 11], ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanwezigheid op het perceel [locatie 11] van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 3 m, zal leiden tot een ernstige aantasting van het uitzicht vanaf het perceel van [appellant sub 4] of van de ruimtelijke kwaliteit en openheid van het buitengebied. Voor zover [appellant sub 4] ter zitting heeft gewezen op de aanwezigheid van constructies boven de fruitbomen, gaat het daarbij volgens de raad en [bedrijf B] om teeltondersteunende voorzieningen, waarmee gedurende ongeveer 12 weken per jaar de weersinvloeden op de fruitteelt worden gematigd, hetgeen in de fruitteelt een gebruikelijke toepassing is. Ten behoeve van deze teeltondersteunende voorzieningen is een omgevingsvergunning verleend. [appellant sub 4] heeft de juistheid hiervan niet gemotiveerd betwist.

Het betoog faalt.

Het begrip "agrarisch product"

23 [appellant sub 4] betoogt dat het begrip "agrarische producten" ten onrechte niet is gedefinieerd in de planregels. Hierdoor is onduidelijk welk soort producten valt onder de in tabel 4.1 bij artikel 4, lid 4.1, genoemde nevenactiviteit "verkoop agrarische producten", die op de gronden van het perceel is toegestaan. Deze onduidelijkheid kan volgens hem leiden tot ruimtelijk ongewenste ontwikkelingen.

23.1 Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend, waarvoor ingevolge artikel 4.1 van de planregels, voor zover van belang, geldt dat de gronden bestemd zijn voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van veehouderij-, fruitteelt-, sierteelt-, tuinbouw- en akkerbouwbedrijven. Verder zijn de gronden bestemd voor de verkoop van door het eigen bedrijf op het betreffende perceel geproduceerde producten. In tabel 4.1 bij artikel 4.1 is als nevenfunctie de verkoop van agrarische producten in bebouwing met een maximaal oppervlak van 180 m2 toegestaan.

In artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: "een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen."

23.2 De Afdeling is van oordeel dat er, om onder de omschrijving van dit begrip als bedoeld in de begripsbepalingen te vallen, sprake dient te zijn van het voortbrengen van een agrarisch product. Een agrarisch product is een product dat afkomstig is van een agrarisch bedrijf. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen in het normaal spraakgebruik onder agrarisch product wordt verstaan, is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk wat in tabel 4.1 onder de verkoop van agrarische producten moet worden verstaan.

[bedrijf B] heeft ter zitting toegelicht dat het de bedoeling is om tijdens de periode van de fruitoogst met name door het eigen bedrijf geproduceerde producten te verkopen. [bedrijf B] beschikt over bedrijven op verschillende locaties, waar verschillende producten worden geteeld. De raad acht het, gelet op de hiervoor in artikel 4.1 van de planregels opgenomen beperkingen, aanvaardbaar om toe te staan dat ook agrarische producten die niet van het eigen bedrijf afkomstig zijn op het perceel [locatie 11] verkocht worden.

23.3 Uit tabel 4.1 volgt dat maximaal 180 m² oppervlak van de op de gronden aanwezige bebouwing mag worden gebruikt als nevenfunctie voor de verkoop van agrarische producten. Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, op de gronden van het perceel een maximaal oppervlak aan bebouwing van 50 m2 aanwezig mag zijn, zal het gebruik van deze bebouwing, mede in aanmerking genomen de overige in artikel 4.1 van de planregels opgenomen beperkingen, voor de genoemde nevenfunctie zodanig ondergeschikt zijn dat het, mede in aanmerking genomen de afstand van de toegestane bebouwing en de ligging hiervan ten opzichte van het perceel van [appellant sub 4], niet aannemelijk is dat hiervan ernstige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat zijn te verwachten. Ook van andere door [appellant sub 4] hiervan gevreesde gevolgen is, gelet op de beperkte omvang van de nevenfunctie, niet gebleken.

Het betoog faalt.

Kuilopslag en tijdelijke opslag van fruitkisten

24 [appellant sub 4] richt zich verder tegen de mogelijkheid om op grond van artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels kuilopslag en tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst buiten het bouwvlak te mogen realiseren. Hij betoogt dat de noodzaak van deze mogelijkheid onvoldoende is aangetoond en wat de daaruit voortvloeiende ruimtelijke gevolgen betreft niet is gemotiveerd. Hierbij acht hij van belang dat de omvang hiervan en de locatie waar dit op de gronden is toegestaan ten onrechte niet voldoende zijn begrensd. Hierdoor is onduidelijk tot op welke afstand van zijn perceel deze opslag is toegestaan.

24.1 Artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels luidt als volgt: "opslag van goederen is - met uitzondering van kuilopslag en de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst - uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan."

Lid 4.5.4, onder b, luidt als volgt: "opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan; […]."

24.2 De raad heeft in het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de opslag van goederen op gronden met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan. Voor zover permanente kuilopslag op kuilplaten plaatsvindt, acht de raad het ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het landschap gewenst dat kuilplaten vanwege de daarmee aanwezige verharding bij recht eveneens alleen binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Voor de mogelijkheid van kuilopslag op kuilplaten buiten het bouwvlak is in artikel 4, lid 4.6.7, van de planregels in een afwijkingsregel voorzien. In het plan is niet voorzien dat kuilopslag uitsluitend op kuilplaten is toegestaan. Dit betekent dat uit artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels volgt dat op de buiten het bouwvlak gelegen gronden ook zonder daarvoor gebruik te maken van kuilplaten kuilopslag is toegestaan.

De raad heeft ter zitting verklaard dat in artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels, ten onrechte een uitzondering voor kuilopslag is opgenomen en dat dit niet in overeenstemming is met hetgeen de raad met deze regeling heeft beoogd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de in artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels opgenomen uitzondering van kuilopslag niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

24.3 Voor zover in artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels tevens is voorzien in een uitzondering voor de opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op gronden met de aanduiding "fruitteelt", overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft de uitzondering in de planregeling om tijdens de periode van de fruitoogst de tijdelijke opslag van fruitkisten buiten het bouwvlak toe te staan opgenomen om fruittelers in deze periode niet onnodig in hun normale bedrijfsvoering te beperken. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat tijdens de periode van de fruitoogst binnen het bouwvlak over het algemeen te weinig ruimte aanwezig is om alle bij de fruitoogst benodigde fruitkisten op te kunnen slaan. Door deze opslag alleen tijdens de fruitoogst toe te staan, wordt de invloed hiervan op het landschap beperkt. De Afdeling stelt vast dat de raad de noodzaak van deze uitzondering van de opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst voor de bedrijfsvoering van het op het perceel [locatie 11] aanwezige fruitteeltbedrijf aannemelijk heeft gemaakt. Het is inherent aan de bedrijfsvoering van fruitteeltbedrijven dat tijdens de periode van de fruitoogst lege fruitkisten nodig voor de verzameling van het geplukte fruit, tijdelijk moeten worden opgeslagen op het perceel waar wordt geplukt. Niet is gebleken dat deze tijdelijke opslag, die beperkt is tot de periode van de fruitoogst die enkele weken in het jaar bedraagt, voor het perceel van [appellant sub 4] ernstige ruimtelijke gevolgen heeft, dan wel dat deze tijdelijke opslag zal leiden tot een ernstige aantasting van het landschap. In hetgeen [appellant sub 4] betoogt ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels wat de hierin opgenomen uitzondering van fruitkisten tijdens de fruitoogst betreft niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten. Het betoog faalt.

Spuitvrije zone

25 [appellant sub 4] richt zich verder tegen de mogelijkheid om op grond van artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels met een te verlenen omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.5.3, onder b, van de planregels om de gronden alsmede gebouwen gelegen binnen een afstand van 50 m van een woning van derden in gebruik te hebben of te nemen ten behoeve van fruitteelt en andere vormen van sierteelt en tuinbouwbedrijven, waardoor op kortere afstand gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Het toestaan van een kortere afstand betekent volgens hem een ontoelaatbaar en onaanvaardbaar gezondheidsrisico en het ontbreken van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden. Daarvoor ontbreekt in het plan een voldoende deugdelijke en draagkrachtige motivering. Het plan is in zoverre niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst in dit verband op jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgens hem volgt dat bij het in een bestemmingsplan hanteren van een kortere teelt- of spuitvrije zone dan 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient te worden onderzocht wat in dat geval de effecten zijn van het plaatsen van windhagen en benutting van betere spuittechnieken en dat een dergelijke kortere afstand deugdelijk dient te worden gemotiveerd. Hij meent dat de afwijkingsregeling uitsluitend op al bestaande situaties en niet op nieuwe situaties ziet. Het ook op nieuwe situaties van toepassing zijn van de afwijkingsregeling acht hij ongewenst en niet in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling.

25.1 Artikel 4, lid 4.5.3, onder b, van de planregels luidt als volgt: "de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m."

Lid 4.6.4 luidt: "Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.3 onder b voor kleinere afstanden indien:

a. een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking wordt gerealiseerd met een minimale hoogte van 2,5 m dan wel;

b. op een andere wijze wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden bijvoorbeeld omdat sprake is van nieuwe technieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden.

Voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid dient advies ingewonnen te worden bij een milieudeskundige."

25.2 Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro luidt als volgt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels."

Met deze bepaling wordt de bevoegdheid gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden, dient in een afwijkingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende afwijkingsregeling dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

25.3 De raad stelt dat er als gevolg van spuitzones bij fruitteelt geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden mag ontstaan. De als uitgangspunt gehanteerde minimale afstand van 50 m acht de raad in het algemeen toereikend om een aanvaardbaar leefmilieu te garanderen. De raad heeft in de in artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels opgenomen mogelijkheid om van deze minimale afstand af te wijken voorzien, omdat het hanteren van een kortere afstand onder omstandigheden voor de bedrijfsvoering van fruitteeltbedrijven noodzakelijk kan zijn. Door de strikte voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning voor de afwijking van de minimale afstand van 50 m kan worden verleend, wordt volgens de raad gegarandeerd dat ter plaatse van woningen van derden sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad acht de afwijkingsregeling, die zowel op bestaande als op nieuwe situaties ziet, aanvaardbaar uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

25.4 De Afdeling stelt voorop dat wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen het telen van fruit en andere gewassen en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1698, wordt een planologische keuze die ziet op een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Dit brengt echter niet met zich dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie niet toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Vermindering van de afstand van 50 m kan aanvaardbaar zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen.

De raad heeft in artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels in een afwijkingsregeling voorzien. Deze afwijkingsregel betekent dat met een locatiespecifiek onderzoek kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie zoals woningen van derden is gegarandeerd. Hiertoe dient te worden onderzocht wat in dat specifieke geval de effecten zijn van het plaatsen van een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking of van de benutting van nieuwe spuittechnieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden, en waarbij alle specifieke omstandigheden van het geval zijn betrokken. Als voorwaarde is gesteld dat voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid advies bij een milieudeskundige dient te worden ingewonnen. Bij het toepassing geven aan de afwijkingsbevoegdheid dient het bevoegd gezag alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen af te wegen. In het kader van een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden gesteld. De Afdeling ziet in de formulering van artikel 4, lid 4.5.3, onder b, van de planregels geen aanknopingspunt dat de afwijkingsregeling uitsluitend op reeds bestaande en niet op nieuwe situaties ziet. In de nota van zienswijzen is, in reactie op zienswijze 12, opgemerkt dat de afwijkingsbevoegdheid in artikellid 4.6.4 ook geldt voor gronden waar op dit moment nog geen fruitteelt plaatsvindt, maar waar dit op grond van de regels van het bestemmingsplan wel zou kunnen. De afwijkingsbevoegdheid dient niet alleen toepasselijk te zijn voor nieuwe spuitzones maar ook voor bestaande. Uit de in paragraaf 3.3.2.1 van de plantoelichting opgenomen lijst van aanpassingen naar aanleiding van zienswijzen blijkt dat de raad in vereenstemming hiermee er voor heeft gekozen om in artikellid 4.6.4 de nog in het ontwerp opgenomen zinsnede "in het geval van spuitzones" te verwijderen. De Afdeling neemt in aanmerking dat de in de genoemde planregel gebruikte woorden "die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt" in het plan niet nader zijn gedefinieerd, zodat uit deze bewoordingen niet voortvloeit dat daarmee uitsluitend bestaande situaties zijn bedoeld. De conclusie is dat de afwijkingsbevoegdheid zowel op bestaande als op nieuwe situaties ziet.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat ten behoeve van het fruitteeltbedrijf van [bedrijf B] op het perceel [locatie 11] inmiddels een omgevingsvergunning is verleend, volgens welke op grond van verricht onderzoek en met het treffen van voorzieningen een kortere afstand dan 50 m tot een woning van derden mag worden aangehouden.

25.5 Uit het vorenstaande volgt dat voldoende duidelijk is in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van een omgevingsvergunning mag overgaan en dat daarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden dient te worden gegarandeerd. Gelet hierop is artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels in overeenstemming met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro.

Het betoog faalt.

Verwijzing naar zienswijzen

26 [appellant sub 4] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

27 Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het de in artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels opgenomen uitzondering van kuilopslag betreft voor het perceel [locatie 11].

Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen

28 Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen is ingesteld door [appellant sub 6A], eigenaar van het perceel [locatie 12], [appellant sub 6B], eigenaar van het perceel [locatie 13] en [appellant sub 6C], eigenaar van het perceel [locatie 14].

Aan het perceel [locatie 12] is in het plan de bestemming "Sport", met de aanduidingen "manege" en "bouwvlak" toegekend. Aan het perceel is tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend. Aan een deel van het perceel, ten noorden van het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport", is de bestemming

"Agrarisch - Rivierzone" toegekend. Aan de gronden ten zuiden van het plandeel met de bestemming "Sport" is in het bestemmingsplan

"Buitengebied 2012" de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Voor het perceel [locatie 13] voorziet het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" in de bestemming "Agrarisch - Rivierzone", de bestemming "Waarde - Archeologie 3" en een bouwvlak. In het thans voorliggende plan is aan een deel van de gronden de bestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend.

Voor het perceel [locatie 14] voorziet het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" in de bestemming "Agrarisch", de bestemming "Waarde - Archeologie 3" en een bouwvlak.

Ingetrokken beroepsgronden

29 Ter zitting hebben [appellant sub 6A] en anderen een aantal beroepsgronden ingetrokken. Dit betreft de beroepsgronden die gericht waren tegen de planregeling voor het volkstuinencomplex gelegen aan de Tiendweg, de beroepsgrond dat in de planregels ten onrechte een verplichting is opgenomen om advies in te winnen bij een agrarisch deskundige en een landschapsdeskundige bij het toepassen van afwijkingsbevoegdheden en de beroepsgrond dat onduidelijk is wat in de planregels onder "opslag" wordt verstaan.

Procedureel

30 [appellant sub 6A] en anderen betogen dat bij de totstandkoming van het plan niet de juiste procedure is gevolgd. In het plan is niet volstaan met alleen het herstellen van de door de Afdeling in haar uitspraak van 17 september 2014 ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" geconstateerde gebreken, zodat sprake is van een geheel nieuw bestemmingsplan. Gelet hierop is ten onrechte geen voorontwerp ter inzage gelegd, is geen mogelijkheid tot inspraak geboden en is geen overleg gevoerd met maatschappelijke organisaties.

30.1 De Afdeling overweegt dat het tot de beleidsruimte van de raad behoort om bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen voor gronden aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In hetgeen [appellant sub 6A] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich had dienen te beperken tot een herstel van de in de genoemde uitspraak geconstateerde gebreken.

De Wro kent geen verplichting om een voorontwerp van een plan vast te stellen en ter inzage te leggen.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 6A] en anderen dat ten onrechte eerst na het ontwerpplan wijzigingen in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden gevolgd.

Niet is gebleken dat de afwijkingen van het ontwerp van het plan naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet hierop heeft de raad hiervoor de wettelijke procedure niet opnieuw hoeven te doorlopen. Er bestond evenmin een verplichting om voorafgaand aan het vaststellen van het plan overleg te voeren met maatschappelijke organisaties.

Het betoog faalt.

30.2 Wat betreft het betoog van [appellant sub 6A] en anderen dat voorafgaand aan het vaststellen van het plan niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Gebleken is dat er tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan een inloopavond is geweest en dat het voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het plan met de Nota van zienswijzen is besproken in de vergadering van het forum Ruimte op 12 oktober 2015, waar [persoon] namens [appellant sub 6A] aanwezig was en ook heeft ingesproken.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke bezwaren

De bestemming "Waterstaat - Waterkering"

31 [appellant sub 6B] betoogt dat aan een deel van zijn perceel [locatie 13] en aangrenzende gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend. Dit is volgens hem niet in overeenstemming met de maten die voortvloeien uit de Keur en de Legger van het waterschap.

31.1 De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend naar aanleiding van de proactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 10 december 2013 en hetgeen in de uitspraak van de Afdeling ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" dienaangaande is geoordeeld en dat de op de verbeelding vastgelegde bestemming voor de waterkeringen overeenkomt met de grenzen die hiervoor in de Legger en de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zijn gesteld. In hetgeen [appellant sub 6B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad uit is gegaan van een onjuiste begrenzing van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel [locatie 13] en de aangrenzende gronden.

Het betoog faalt.

Archeologische waarden

32 [appellant sub 6B] en [appellant sub 6C] kunnen zich niet verenigen met de in het plan vastgelegde beperkingen die strekken tot bescherming van de archeologische waarden van (bebouwde) gronden in het plangebied.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in