ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2095

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het college een door [appellante sub 4] gevraagde revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de productie van diervoeders op het perceel [locatie 1] te Voorthuizen, gemeente Barneveld, deels verleend en deels geweigerd. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellante sub 4] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2012, waar [appellante sub 1], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E. Wijnne-Oosterhoff, advocaat te Zwolle, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], J.G. Schreuder en mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.S. Schut, werkzaam bij de gemeente, en mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Overwegingen Bestuurlijke lus 1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze wet luidde ten tijde van de bekendmaking van het bestreden besluit kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Overgangsrecht Wabo 2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd. Intrekking beroepsgronden 3. Ter zitting heeft [appellant sub 3] zijn beroepsgronden over de vergunningvoorschriften 2.6 en 2.13, zijn beroepsgrond over het referentieniveau ter plaatse van de woning aan het Molenpark 1 en zijn beroepsgrond over de in het geurrapport ‘Geuronderzoek [appellante sub 4A] en [appellante sub 4B] te Voorthuizen’ van 16 november 2010, rapportnummer BL2010.5198.04-V02, van Buro Blauw B.V. genoemde bestaande jaarproductie voor geperst voer van 76.180 ton, ingetrokken. Algemeen toetsingskader 4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen