ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067
Besluit waarbij het college onder het stellen van voorschriften ontheffing heeft verleend van het bepaalde in de artt. 9, 10 en 72, lid 5 van de Ffw voor het verontrusten en doden van holenduiven met gebruikmaking van het hagelgeweer op percelen waar schade dreigt of voorkomt, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Het college betoogt o.m. dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat het verlenen van een "ontheffing op voorhand" zich niet verdraagt met art. 68 lid 1, aanhef en onder c, van de Ffw. De Afdeling overweegt dat de ontheffing is verleend aan de Faunabeheereenheid. In het tweede voorschrift dat aan de ontheffing is verbonden is bepaald dat de Faunabeheereenheid bevoegd is desgevraagd aan individuele grondgebruikers een machtiging te verlenen om van de ontheffing gebruik te maken. Dit wordt doorschrijven genoemd. Het gebruik maken van de ontheffing na het doorschrijven is slechts toegestaan als daarvan voorafgaand melding wordt gedaan bij een provinciaal toezichthouder die heeft beoordeeld of is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade als bedoeld in art. 68, lid 1, aanhef en onder c, van de Ffw. De Rb. heeft terecht overwogen dat deze wijze van ontheffingverlening, te weten het verlenen van een ontheffing "op voorhand" voor de gehele provincie, in strijd is met art. 68, lid 1, aanhef en onder c, van de Ffw. Dat, zoals het college stelt, de Vogelrichtlijn afwijking van het verbod op het doden van vogels als zodanig centraal stelt en niet bepaalt dat de afwijking op een bepaalde wijze, bijvoorbeeld door middel van een ontheffing moet geschieden, maakt dit niet anders. Art. 68, lid 1, aanhef en onder c, van de Ffw is de implementatie van art. 9, lid 1, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn. Deze bepaling moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van art. 9, lid 1, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn. Art. 68 bepaalt dat de afwijking van het verbod zoals dat in de Vogelrichtlijn wordt genoemd dient te geschieden door middel van een ontheffing. Zoals reeds in de uitspraak is overwogen (r.o. 3 e.v.) heeft de Afdeling geoordeeld dat niet is gebleken dat de implementatie niet op een juiste wijze is geschied en mag de ontheffing alleen verleend worden indien per specifieke situatie is beoordeeld of een ontheffing strikt noodzakelijk is, waarbij het besluit tot ontheffingverlening dient te berusten op een nauwkeurige en treffende motivering. De Rb. heeft terecht overwogen dat een concrete dreiging van belangrijke schade moet bestaan alvorens ontheffing kan worden verleend. De Rb. heeft daarbij met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat gebruikmaking van de ontheffing na het doorschrijven moet worden gemeld aan de provinciale toezichthouder, die op dat moment toetst of belangrijke schade aan gewassen dreigt, bevestigt dat het college bij de verlening van de ontheffing niet volledig heeft getoetst aan art. 68, lid 1, aanhef en onder c, van de Ffw, hetgeen in strijd is met de uitleg die op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie aan dit artikel moet worden gegeven. Bovendien brengt die wijze van ontheffingverlening met zich dat de rechtsbescherming voor belanghebbenden wordt beperkt, nu, zoals het college ter zitting bij de Afdeling ook heeft bevestigd, tegen de beslissing van de provinciaal toezichthouder geen bezwaar of beroep in de zin van de Awb open staat. Het betoog faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl