ABRvS 25 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9030
De wetgever is er blijkens voormelde totstandkomingsgeschiedenis van uitgegaan dat het toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding betrekking heeft op grensgangers of personen van wie kan worden aangenomen dat zij grensganger zijn. Dit uitgangspunt was nader uitgewerkt in het tot voor kort geldende beleid in paragraaf A3/2.4 van de Vc 2000. Zoals in voormelde uitspraak van 28 december 2010 is overwogen naar aanleiding van het arrest van het Hof van 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 & C-189/10, Melki en Abdeli (www.curia.europa.eu), legde die regeling een rechtstreekse koppeling met grensoverschrijding door te bepalen dat de controle louter is gericht op grensgangers en de bevoegdheid kan worden uitgevoerd aan de grensovergang, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is na grensoverschrijding en wanneer nog geen of slechts een geringe vermenging met het binnenlands reizigersverkeer heeft plaatsgevonden. Die omstandigheden, bezien in samenhang met de specifieke regels over het territoriale bereik van de MTV-controles, vormden een aanwijzing dat de controle het effect van een met de Schengengrenscode verboden grenscontrole kon hebben. In dat licht dient te worden bezien of de omschrijving van de hier bedoelde bevoegdheid in art. 50, lid 1 Vw 2000 - zo nodig in afwijking van de totstandkomingsgeschiedenis - aldus kan worden opgevat dat strijd met art. 21 van de Schengengrenscode wordt voorkomen. Gelet immers op het in art. 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde beginsel van loyale samenwerking, dient het nationale recht zoveel mogelijk conform het recht van de Unie te worden uitgelegd, teneinde de volle werking daarvan te verzekeren (zie in die zin onder meer het arrest van het Hof van 24 januari 2012, C-282/10, Dominguez, punt 24; www.curia.europa.eu). Naar het oordeel van de Afdeling is dat het geval. Weliswaar is in de tekst de bevoegdheid tot MTV-controle ontegenzeglijk gerelateerd aan het begrip ‘grensoverschrijding’, maar dat begrip noopt niet tot het oordeel dat de uitoefening van de bevoegdheid louter is beperkt tot personen die daadwerkelijk en onmiddellijk voorafgaand aan de uitoefening van de bevoegdheid de grens hebben overschreden. Tegen de achtergrond van het doel van de bevoegdheid kan art. 50, lid 1 van de Vw 2000 aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid mag worden aangewend ter bestrijding van illegaal verblijf in de grensstreken. De beperking tot de grensstreken is noodzakelijk ter afbakening van de bevoegdheid tot controle in het kader van het binnenlands vreemdelingentoezicht. De tekst van art. 50, lid 1 van de Vw 2000 laat met betrekking tot de bevoegdheid tot MTV-controle dan ook een uitleg toe die in overeenstemming is met het Unierecht. De bevoegdheid tot MTV-controle is met toepassing van art. 50, lid 6 van de Vw 2000 nader uitgewerkt in art. 4.17a van het Vb 2000. Die bepaling sluit op het voorgaande aan. (…) De Afdeling tekent hierbij het volgende aan. Art. 4.17a, lid 1, aanhef en onder c, van het Vb 2000 beperkt de bevoegdheid tot MTV-controle op wegen en vaarwegen tot een gebied van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België of Duitsland. Volgens de Nota van toelichting (Stb. 2011, 262, blz. 5) betekent dit dat de controlebevoegdheid binnen dat gebied van twintig kilometer ten aanzien van een ieder kan worden uitgeoefend. Aldus geformuleerd is dit standpunt te verstrekkend. De bevoegdheid tot MTV-controle dient immers gericht te zijn op de bestrijding van illegale immigratie en kan daarom weliswaar worden uitgeoefend ten aanzien van een ieder, maar slechts op die plaatsen binnen de grenszone van twintig kilometer waarvan op basis van informatie of ervaringsgegevens mag worden aangenomen dat daar illegale immigratie pleegt plaats te vinden. Deze beperking van de bevoegdheid tot MTV-controle is neergelegd in het tweede lid van art. 4.17a van het Vb 2000. De bestrijding van illegale immigratie, in de uitvoering gericht op inreizend verkeer, verdraagt zich voorts niet met de controle van uitreizend verkeer. Uitreizend verkeer mag daarom niet aan een MTV-controle worden onderworpen. Van uitreizend verkeer is slechts sprake indien vaststaat dat de in het voertuig aangetroffen persoon zonder de controle bij vervolging van zijn route noodzakelijkerwijs Nederland zou zijn uitgereisd.
De uitspraak op rechtspraak.nl