ABRvS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7773

Besluit waarbij het college een gedoogplicht als bedoeld in artikel 9 van de Waterstaatswet heeft opgelegd voor het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg. Appellante betoogt onder meer dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de Buitenring een waterstaatswerk als bedoeld in de Waterstaatswet is. (…) De Afdeling overweegt dat de rechtbank in haar uitspraak uitvoerig uiteen heeft gezet dat de Waterstaatswet zowel op natte als op droge waterstaat ziet en dat droge waterstaat, waarbij geen relatie tot water is vereist, onder meer spoorwegen, andere wegen, straten en paden omvat. Gelet hierop en op de overwegingen van de rechtbank over het begrip waterstaatswerk en haar verwijzing naar de MvT bij de Waterstaatswet (Kamerstukken II 1895/96, 167, nr. 3) moeten landwegen, waaronder de Buitenring, worden beschouwd als waterstaatswerken zoals bedoeld in de Waterstaatswet. Met betrekking tot het betoog van appellante dat de te gedogen onderzoeken geen verband houden met de zorg voor het water en de waterstaat, overweegt de Afdeling dat de Waterstaatswet van toepassing is op de aanleg van waterstaatswerken en ten behoeve van die aanleg de in artikel 9 opgenomen gedoogplicht kan worden opgelegd. Voor de toepasselijkheid van de Waterstaatswet is niet vereist dat de te gedogen werkzaamheden op zichzelf verband houden met de zorg voor de waterstaat. De Wegenwet, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding in 1932, zag onder meer op de openbaarheid, het beheer en het onderhoud van bestaande wegen en niet op de aanleg van wegen. Reeds daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van wegen sinds de uitvaardiging van de Wegenwet niet langer onder de Waterstaatswet zou kunnen vallen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Buitenring een waterstaatswerk is. Het betoog faalt. (…) Voorts heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte geoordeeld dat de gedoogplicht kon worden opgelegd wanneer op een later moment tot onteigening wordt overgegaan. (…) In de Waterstaatswet is niet de beperking opgenomen dat de gedoogplicht van artikel 9 slechts kan worden opgelegd indien niet op een later moment tot onteigening zal worden overgegaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenmin dat die beperking was beoogd. Zoals de rechtbank heeft overwogen vermeldt de MvT bij de Waterstaatswet (Kamerstukken II, 1895/96, 167, nr. 2) dat de gedoogplicht kan worden opgelegd in het kader van het aanleggen van waterstaatswerken 'onverschillig of er eene aanvrage voor eene onteigeningswet zal plaats hebben'. De enkele omstandigheid dat de Waterwet en de Belemmeringenwet Privaatrecht, die op dit geding niet van toepassing zijn, een gedoogplicht kennen voor andere situaties, betekent niet dat die wettelijke bepalingen gevolgen hebben voor de gedoogplicht van de Waterstaatswet. Het betoog faalt. (…) Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat ten tijde van het nemen van het besluit geen in artikel 9 van de Waterstaatswet bedoelde noodzaak bestond tot het opleggen van de gedoogplicht. (…) De Afdeling overweegt dat gelet op de tekst van artikel 9 van de Waterstaatswet de gedoogplicht kan worden opgelegd wanneer de onderzoeken nodig worden geacht voor het maken van ontwerpen voor het aanleggen van een waterstaatswerk. Volgens het college zijn de onderzoeken nodig om inzicht te verkrijgen in de ter plaatse aanwezige archeologische waarden en bodemopbouw, welke informatie nodig is voor het maken van een definitief gedetailleerd wegontwerp voor de Buitenring. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college de onderzoeken niet nodig heeft kunnen achten voor het maken van een ontwerp voor de aanleg van een waterstaatwerk, zodat in beginsel een gedoogplicht als bedoeld in artikel 9 van de Waterstaatswet kon worden opgelegd. Het oordeel van de rechtbank over de in artikel 9 bedoelde noodzaak tot het uitvoeren van onderzoeken volgt niet uit de tekst van het wetsartikel. Gelet daarop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de status van het planologisch besluit dat de aanleg van de Buitenring mogelijk moet maken, relevant is voor het opleggen van de gedoogplicht. Het betoog slaagt. Gelet op het voorgaande kon het college in redelijkheid een in artikel 9, eerste lid, van de Waterstaatswet bedoelde gedoogplicht opleggen en handhaven bij de beslissing op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen