ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7617
Mededeling dat subsidie voor het jaar 2010, die op grond van de SNL is verleend, niet wordt uitbetaald, bevat een besluit in de zin van art. 1:3, lid 1 Awb. Gelet op voornoemde bepalingen uit Verordening EG/1122/2009, bestond geen ruimte in bezwaar alsnog de subsidie uit te betalen, omdat het verzoek daartoe een verzoek tot wijziging van de Gecombineerde Opgave inhield en na 9 juni 2010 is gedaan. Dat ingevolge art. 7:11 Awb in bezwaar een volledige heroverweging dient te plaats te vinden waarbij in beginsel ruimte bestaat om gemaakte fouten te herstellen, doet daar niet aan af, nu op grond van nationale wetgeving niet aan Europese wetgeving kan worden voorbijgegaan. De maatschap heeft nog aangevoerd dat het niet mogelijk was in de elektronische Gecombineerde Opgave bij de vraag of zij uitbetaling van de subsidie aanvraagt het vakje "ja" aan te kruisen. Dat betekent echter niet dat het te laat indienen van het betaalverzoek was te wijten aan overmacht of dat zich uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in art. 75 van Verordening EG/1122/2009 voordeden, die het college noopten de subsidie alsnog uit te betalen. De vraag of een kennelijke fout als bedoeld in art. 4, lid 3, van Verordening EG/1975/2006 is gemaakt, is, gelet op de bewoordingen daarvan, eerst aan de orde als een betalingsaanvraag is ingediend. De Gecombineerde Opgave was geen betalingsaanvraag, nu de maatschap bij de vraag of zij betaling van de subsidie aanvraagt, het vakje "nee" heeft aangekruist. Voorts is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit het college had moeten afleiden dat de maatschap desalniettemin beoogde uitbetaling te vragen. De enkele omstandigheid dat aan haar subsidie was verleend, is daarvoor onvoldoende, omdat een subsidieontvanger om verscheidene redenen van het indienen van een betalingsaanvraag kan afzien en het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aan hem is te treden in de motieven die een subsidieontvanger daarvoor heeft. Voor de beoordeling of zich een kennelijke fout heeft voorgedaan als bedoeld in art. 4, lid 3 van Verordening EG/1975/2006, is derhalve geen plaats.
De uitspraak op rechtspraak.nl