ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4969
Ingevolge art. 107, lid 2, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, gelezen in samenhang met art. 1 van de Regeling en de Bijlage behorende bij de Regeling, in het bijzonder model 6G, moet de geboorteplaats van de aanvrager op een rijbewijs worden vermeld. Op het rijbewijs van appellant]staat ’s-Gravenhage als geboorteplaats vermeld, welk gegeven is ontleend aan de basisadministratie. Gelet op art. 33, lid 2 van het Reglement, gelezen in samenhang met art. 116, lid 1 van de Wvw 1994 raadpleegt de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie de daarin ingeschreven persoonsgegevens van de aanvrager. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet GBA wordt met het begrip basisadministratie tot uitdrukking gebracht dat de gemeentelijke administratie van bevolkingsgegevens de bron en de grondslag vormt van de algemene informatie over personen voor overheid en semi-overheid. De organen binnen de publiekrechtelijke sector dienen de voor hen relevante algemene persoonsgegevens in beginsel te ontlenen aan de basisadministratie. Een doelmatige registratie van algemene persoonsgegevens bij de overheid en semi-overheid is gediend met het gebruik van de gegevens uit de basisadministratie, omdat dit gebruik tot gevolg heeft dat binnen de overheid en semi-overheid over dezelfde feiten met betrekking tot de burgers dezelfde, betrouwbare, gegevens worden benut (Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, blz. 3 en 6). Gelet op het vorenstaande kan het standpunt van de burgemeester dat persoonsgegevens, zoals de geboorteplaats, op door overheidsorganen af te geven documenten, zoals rijbewijzen, worden ontleend aan de basisadministratie in beginsel voor juist worden gehouden. De burgemeester mag uitgaan van de inschrijving in de basisadministratie, zolang daarop geen aantekening van onjuistheid is geplaatst. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 20111286. Voor het verkrijgen van zodanige aantekening in de basisadministratie dient appellant zich tot het college van burgemeester en wethouders als beheerder van de basisadministratie te wenden. Appellant heeft dit bij de hierboven in rechtsoverweging 3 genoemde brief van 5 mei 2011 gedaan, maar dit heeft nog niet geresulteerd in een voor hem positief besluit. Dat ook rijbewijzen kunnen worden afgegeven aan personen die niet in de basisadministratie staan geregistreerd, maakt het vorenstaande niet anders. In die gevallen worden rijbewijzen afgegeven door de Dienst Wegverkeer en worden persoonsgegevens aan de ingevolge art. 33, lid 1 van het Reglement bij de aanvraag over te leggen identiteitsbewijzen van de betrokken personen ontleend. De Rb. heeft terecht geen grond gezien om over de uitleg van het begrip ‘geboorteplaats’ prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. De in de hierboven weergegeven nationale regelgeving neergelegde verplichting dat in het rijbewijs de geboorteplaats van degene aan wie het rijbewijs is afgegeven, wordt vermeld, is in overeenstemming met bijlage I, punt 3, onder d, nummer 3, bij de richtlijn, waarin is bepaald dat bladzijde 1 van het rijbewijs de geboorteplaats van de houder bevat. Uit de tekst noch uit de daaraan voorafgaande preambule van de richtlijn blijkt op welke wijze het begrip ‘geboorteplaats’ dient te worden gedefinieerd. Hiermee laat de richtlijn de lidstaten de ruimte dit begrip nader in te vullen. Gelet hierop acht de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de richtlijn de burgemeester belet bij de uitleg van het begrip ‘geboorteplaats’ het juridische begrip ‘gemeente’ te hanteren en daarbij uit te gaan van de in de basisadministratie geregistreerde geboorteplaats. De Rb. heeft appellant derhalve terecht niet gevolgd in zijn standpunt dat de burgemeester ten onrechte is uitgegaan van de gegevens zoals opgenomen in de basisadministratie.
De uitspraak op rechtspraak.nl