ABRvS 7 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4424
Gelet op het bepaalde in artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 en in artikel 3.110, eerste en tweede lid, van het Vb 2000 omvat de termijn voor de afdoening van de asielaanvraag binnen de algemene asielprocedure (hierna: de AA-termijn) niet de dagen die zijn gemoeid met het onderzoek naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van een vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door hem overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de vraag of een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Hoewel de staatssecretaris, zoals ook uit het beleid neergelegd in paragraaf C11/3.1. van de Vc 2000 volgt, die onderzoeken gedurende de rust- en voorbereidingstermijn mag verrichten en de resultaten daarvan aan de vreemdeling dan wel zijn rechtsbijstandverlener beschikbaar stelt, volgt uit dat beleid evenzeer dat de staatssecretaris de vreemdeling niet met de resultaten van voormelde onderzoeken mag confronteren. Dat mag pas nadat de vreemdeling is opgenomen in de AA-procedure. Dit beleid strookt ook met het doel van de rust- en voorbereidingstermijn, namelijk de vreemdeling de gelegenheid bieden om tot rust te komen en zich op de asielprocedure en de in die procedure af te nemen gehoren voor te bereiden (zie de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van het Vb 2000; nota van toelichting, blz. 16 en 17; Stb. 2010, 244). (…) De staatssecretaris kan gedurende de rust- en voorbereidingstermijn, derhalve voorafgaande aan de indiening van de asielaanvraag, onder meer onderzoek doen naar de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Met het verrichten van een dergelijk onderzoek vangt de AA-termijn niet aan. Die termijn is in dit geval, anders dan de vreemdeling betoogt, ook niet aangevangen op het moment dat de staatssecretaris de vreemdeling, gedurende de rust- en voorbereidingstermijn, middels een gehoor heeft geconfronteerd met de resultaten van voormeld onderzoek. Hoewel de staatssecretaris daarmee in strijd met zijn eigen beleid heeft gehandeld, biedt de Vw 2000 dan wel het Vb 2000 geen grond voor het oordeel dat hierdoor de AA-termijn begint te lopen. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat de AA termijn, gelet op het bepaalde in artikel 3.110, derde lid, van het Vb 2000 is aangevangen op 11 april 2012 en de asielaanvraag daarmee, met aftrek van het weekeinde, binnen de termijn van acht dagen is afgedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl