ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4006

Opleggen boete aan bedrijf A van € 9.000,00. Door verschillende samenwerkende bedrijven zijn werkzaamheden uitgevoerd, waarbij [aanneembedrijf] optrad als hoofdaannemer. Door twee door bedrijf A ingeleende werknemers zijn installatie-werkzaamheden uitgevoerd. Het slachtoffer werd vanwege hierbij opgelopen letsel voor behandeling in het ziekenhuis opgenomen. Anders dan de rb. is de Afdeling van oordeel dat bedrijf A niet erin is geslaagd dat hem ter zake van de overtreding geen enkel verwijt valt te maken. De afspraak met de hoofdaannemer dat het tot zijn taak behoorde maatregelen te treffen om ongevallen door onvoldoende beveiliging en signalering van sparingen in de vloeren van het gebouw te voorkomen en dat hij dagelijks toezicht houdt op de veiligheid, ontsloeg bedrijf A evenwel niet van haar verplichting zelf de nodige maatregelen te treffen. De rb. heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het was aan bedrijf A, als werkgever, om erop toe te zien dat adequate voorzieningen ter voorkoming van het valgevaar werden getroffen. Dat bij de door haar uitgevoerde werkplekinspecties op 27 juni 2010, 21 juli 2010, 17 augustus 2010 en 30 augustus 2010 de aanwezige sparingen veilig waren afgedekt, leidt niet tot het oordeel dat haar in dit geval geen of een verminderde mate van verwijt kan worden gemaakt. De werknemers van bedrijf A hebben van het VGM kennisgenomen en zijn aldus in het algemeen op valgevaar bij schachtopeningen en kleine sparingen in de vloer geattendeerd. De voorman heeft het slachtoffer, voordat hij op 27 september 2010 voor het eerst ter plaatse aan werkzaamheden begon, niet verteld waar in het bouwwerk sparingen in de vloer aanwezig waren. Het had naar het oordeel van de Afdeling op de weg van de voorman gelegen het slachtoffer te wijzen op de sparing in de vloer op de tweede verdieping van het bouwwerk alwaar hij werkzaamheden ging verrichten dan wel te controleren of deze afdoende was afgedekt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze sparing de dag ervoor open had gelegen in verband met werkzaamheden. Zoals de voorman ter zitting heeft gesteld, was hij daarvan op de hoogte maar dacht hij dat de steigerplanken waarmee de sparing weer was afgedekt ook waren vastgeschroefd. Gelet op het vorenstaande had bedrijf A aldus de risico's van de betreffende werkzaamheden niet voldoende geïnventariseerd en niet de nodige preventieve maatregelen genomen. De omstandigheid dat, zoals bedrijf A ter zitting heeft gesteld, twaalf keer per jaar een toolboxmeeting wordt gehouden en het bedrijf ISO- en VCA-gecertificeerd is, kan daaraan niet afdoen. Gezien het voorgaande is evenmin voldaan aan de eerste matigingsfactor van beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder b, van de beleidsregels. De andere matigingsfactoren komen, gelet op het cumulatieve karakter ervan, niet meer aan de orde. Het betoog slaagt. Het hoger beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen