ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3372

De Afdeling conformeert zich in onderhavige uitspraak aan haar uitspraak van 17 oktober 2000 (LJN: AA8308). In deze uitspraak was eerder geoordeeld dat de DEC geen bestuursorgaan is als bedoeld in art. 1:1, lid 1, onder b, van de Awb omdat de DEC niet met enig openbaar gezag is bekleed. Daartoe werd onder meer overwogen dat nu de advisering van de DEC niet van doorslaggevende betekenis is, niet met vrucht kan worden gezegd dat de commissie de publiekrechtelijke bevoegdheid heeft tot het bepalen van de rechtspositie van de vergunninghouder waar het betreft het gebruik van de vergunning. In onderhavige uitspraak wordt dit door de Afdeling nog scherper geformuleerd: er moet sprake zijn van het eenzijdig en bindend bepalen van de rechtspositie. Overigens wordt opgemerkt dat het VUmc na een positief advies van de DEC de dierproef mag uitvoeren, zonder tussenkomst van een ander orgaan (art. 10a, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet op de dierproeven). In deze situatie heeft de DEC wel direct invloed op de wijze van gebruik van de vergunning door het VUmc. Nu het volgens de Afdeling echter moet gaan om het eenzijdig en bindend bepalen van de rechtspositie, kan ook in deze situatie geen sprake zijn van een bestuursorgaan als bedoeld in art. 1.1, lid 1, onder b, van de Awb. Het VUmc kan ondanks een positief advies namelijk nog afzien van de dierproef. Het CBb hanteert in de uitspraak van 31 maart 2009 (LJN: BI0337) het criterium dat van uitoefening van openbaar gezag sprake is in zoverre door een rechtspersoon uitvoering wordt gegeven aan krachtens publiekrecht aan haar opgedragen overheidstaken en daaraan verbonden bevoegdheden worden uitgeoefend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen