ABRvS 25 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2337
Aan de omstandigheid dat de vreemdeling op het moment dat hij de verbalisanten zag de stoep op fietste, van zijn fiets stapte en iets zocht in zijn fietstassen, kan geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in art. 50, lid 1 Vw 2000 worden ontleend. De vreemdeling is derhalve niet rechtmatig staandegehouden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. (…) De door de staatssecretaris aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris te doen uitvallen. Evenmin heeft de staatssecretaris overige aan deze gronden te relateren omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor dat oordeel. De staatssecretaris heeft voorts geen andere zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit art. 50, lid 1 Vw 2000 voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Met name is niet gesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of dat het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl