ABRvS 19 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2060
Voor het oordeel dat deze veroordelingen niet bij de besluitvorming mochten worden betrokken bestaat geen grond. Het standpunt van de vreemdeling dat het strafbare feit uit 2004 gezien de hoogte van de opgelegde straf door de strafrechter niet als ernstig is gekwalificeerd en sedert de pleegdatum acht jaren zijn verstreken, betekent niet dat daaraan geen betekenis mocht worden gehecht. De staatssecretaris mocht hierbij in aanmerking nemen dat sprake is van recidive, nu de vreemdeling op (…) opnieuw is veroordeeld. Dat het desbetreffende vonnis ten tijde van het besluit (…) nog niet onherroepelijk was, leidt niet tot een ander oordeel. (…) Voor zover met het oog op de artikelen 5 en 9 is betoogd dat de ongewenstverklaring een ongerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven van de vreemdeling en zijn kinderen maakt, omdat hij jegens zijn kinderen een zorgplicht heeft en zij zeer aan hem zijn gehecht, faalt dit betoog reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, het gezinsleven ook buiten Nederland kan worden uitgeoefend. (…) Zoals de Afdeling bij uitspraak van 21 december 2012 in zaak nr. 201200487/1/V3 [LJN: BY8238] heeft overwogen, stemt een ongewenstverklaring naar doel en strekking grotendeels met een inreisverbod overeen. Die overeenkomst is van dien aard, dat een ongewenstverklaring onder de in art. 3, lid 6 van de Terugkeerrichtlijn gegeven definitie van het begrip inreisverbod valt. Gelet hierop zijn op een ongewenstverklaring die in de periode tussen het verstrijken van de implementatietermijn en het in werking treden van de implementatiewet is uitgevaardigd jegens een vreemdeling die op dat moment onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn viel, tevens de in die richtlijn gestelde rechtswaarborgen van toepassing. Dit geldt ook voor art. 11, lid 2 van de Terugkeerrichtlijn, ingevolge welke bepaling de duur volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval dient te worden bepaald. Aldus wordt de volle werking van de Terugkeerrichtlijn verzekerd. Het voorgaande geldt evenzeer in een geval als het onderhavige, waarin het primaire besluit is genomen in de periode tussen de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn en het verstrijken van de implementatietermijn, maar het besluit op bezwaar in de periode tussen het verstrijken van de implementatietermijn en de inwerkingtreding van de implementatiewet. Voor het oordeel dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht dient te worden toegepast zoals dat op dat moment geldt, bestaat geen aanleiding.(…) Nu de in bezwaar gehandhaafde ongewenstverklaring voor onbepaalde duur is opgelegd en derhalve niet blijkt dat de staatssecretaris de duur ervan volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval heeft bepaald, heeft de staatssecretaris gehandeld in strijd met art. 11, lid 2 van de Terugkeerrichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl