ABRvS 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1634
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar B.V. tegen intrekking van een aan de B.V. verleende bouwvergunning voor het oprichten van een kas op de grond dat de BV ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen eigenaar meer was van de gronden, waarop het bouwplan zou worden gerealiseerd. De Rb. heeft geoordeeld dat de B.V. wel belanghebbende is bij het besluit tot intrekking en heeft om die reden het beroep van de B.V. gegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2011 vernietigd. De enkele overdracht van de gronden, waarop het project is voorzien, maakt niet dat de B.V. niet meer kan worden beschouwd als de uitvoerder van het project. Niet in geschil is echter dat belanghebbende op 7 december 2010 niet slechts de onroerende zaken van de B.V. heeft gekocht, maar daarbij tevens in alle rechten en verplichtingen van de B.V. is getreden. Hieruit volgt dat, indien de onherroepelijk geworden bouwvergunning, die ingevolge art. 1.2, lid 1, onder g, van de Invoeringswet Wabo wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder a, van de Wabo, zou herleven, deze van rechtswege overgaat naar belanghebbende. Uit art. 2.25, lid 2 Wabo volgt niet dat de melding van de overdracht aan het bevoegd gezag voor de overgang van de vergunning constitutief is, doch slechts dat de aanvrager of de vergunninghouder verplicht is de overdracht te melden. Een andere opvatting strookt niet met de zakelijke werking die de overgang ingevolge art. 2.25, lid 1 Wabo heeft. Het betoog is in zoverre terecht voorgedragen. Het leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het intrekkingsbesluit is gericht aan de B.V., die door de Rb. daarbij terecht als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in art. 1:2, lid 1 Awb is aangemerkt. Zij heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat de B.V. ten tijde van het besluit op bezwaar niet langer eigenaar was van de gronden waarop het bouwplan is voorzien, niet maakt dat zij om die reden niet langer als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het intrekkingsbesluit. De B.V. heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met belanghebbende is overeengekomen dat belanghebbende bij de overdracht van de gronden tevens in de rechten en verplichtingen ten aanzien van de verleende bouwvergunning zou treden. De intrekking van de bouwvergunning heeft mogelijk tot gevolg dat de B.V. tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen jegens belanghebbende. Gelet op het voorgaande is niet uitgesloten dat de B.V. als gevolg van de intrekking van de aan haar verleende vergunning schade zal lijden. Nu reeds uit het vorenstaande volgt dat de B.V. belanghebbende is, behoeft hetgeen door het college overigens is aangevoerd geen bespreking meer. Ongegrond beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl