ABRvS 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424

Anders dan de minister aanvoert, is art. 4:8 Awb van toepassing, nu zich de situatie voordoet waarin de minister een besluit neemt dat de referent niet heeft aangevraagd, dat steunt op gegevens over feiten en belangen die hem betreffen en die niet door hem terzake zijn verstrekt, en hij naar verwachting bedenkingen heeft tegen dat besluit. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat deze is bedoeld om bij te dragen aan een juiste gegevensvaststelling (Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, blz. 67-68). De minister heeft niet toegelicht waarom de mogelijke verwevenheid van de positie en de belangen van de referent met die van de vreemdelingen hieraan in de weg staat. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt eveneens dat het de bedoeling van de wetgever is de hoorplicht niet te sterk te formaliseren en dat het gaat om het bieden van de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 97). De minister voert terecht aan dat de Rb. niet heeft onderkend dat het gehoor van de referent op 6 december 2010 mede de aanvragen van de vreemdelingen betrof en dat hij de referent vooraf in de gelegenheid heeft gesteld om een kopie van de stukken op te vragen. De Rb. heeft niet onderkend dat de minister de referent hiermee in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze te geven voordat hij de aanvraag van de vreemdelingen om hun een mvv te verlenen afwees en dat uit art. 4:8 Awb niet een verplichting voor de minister valt af te leiden om de verslagen van de gehoren op voorhand toe te sturen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen