ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9912

Gedeeltelijke afwijzing verzoek van appellant om kennisneming van zijn persoonsgegevens die in de periode van maart 2008 tot maart 2010 zijn opgenomen in de Criminele Inlichtingen Eenheid-registers (hierna: CIE-registers). Uit het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat onder meer is vastgelegd in art. 8 van het EVRM, vloeit voort dat degene, over wie persoonsgegevens worden verwerkt door de politie in de gelegenheid moet worden gesteld tot kennisneming van die gegevens en zo nodig verbetering of verwijdering van die gegevens moet kunnen verzoeken. Dit brengt met zich dat een ieder in beginsel in de gelegenheid moet zijn om na te kunnen gaan of zijn gegevens worden verwerkt en, zo nodig, deze verwerking in rechte aan te vechten. De rb. heeft in dat verband terecht verwezen naar art. 13 van het EVRM ingevolge welke bepaling een ieder wiens in dat Verdrag gewaarborgde rechten of vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Uit art. 8, tweede lid, van het EVRM vloeit voort dat deze rechten niet absoluut van aard zijn, maar kunnen worden beperkt, als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is, in het belang van onder andere de bestrijding van strafbare feiten. In art. 27 van de Wpg wordt van deze beperkingsmogelijkheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft kennis genomen van de niet geanonimiseerde gegevens betreffende appellant, opgenomen in de CIE-registers, en is met de rb. van oordeel dat de korpsbeheerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan het besluit van 11 augustus 2010 ten grondslag gelegde belangen zich tegen verstrekking van de weggelakte gegevens verzetten. Zoals de rb. terecht heeft overwogen, moet de korpsbeheerder, gelet op art. 27 van de Wpg, een verzoek om kennisneming van politiegegevens afwijzen indien dit ter bescherming van de in dat artikel vermelde belangen noodzakelijk is. De korpsbeheerder heeft, gelet op het dwingende karakter van dat artikel, geen beleidsvrijheid om de kennisneming van de betreffende politiegegevens toch toe te staan. Weliswaar betoogt appellant terecht dat toepassing van art. 27 van de Wpg ertoe leidt dat hij geen gebruik kan maken van zijn recht tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van politiegegevens als bedoeld in art. 28, eerste lid, van de Wpg, maar daartoe biedt art. 8, tweede lid, van het EVRM de grondslag. De rb. heeft derhalve met juistheid overwogen dat de korpsbeheerder de kennisneming van de door hem weggelakte gegevens in de CIE-registers terecht aan appellant heeft onthouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen