ABRvS 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9618

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 9 juni 2004 in zaak nr. 200308511/1; LJN: AR3088), kunnen bij de toetsing in rechte van de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel tevens de rechtsgevolgen die deze afwijzing van rechtswege in het leven roept aan de orde worden gesteld, zij het dat die rechtsgevolgen niet los van de strekking van de in art. 29, lid 1 Vw 2000 limitatief opgesomde gronden, waarop de aanvraag kan worden ingewilligd, mogen worden beoordeeld. Het vorenstaande geldt, gelet op voormelde uitspraak van 25 februari 2005, eveneens voor een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel, nu een dergelijk besluit ingevolge art. 45, lid 2, aanhef en onder b, van de Vw 2000 - evenals de afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel - een voornemen tot uitzetting impliceert. (…) De staatssecretaris heeft, (…), de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning terecht ingetrokken. Dat die op de gefingeerde identiteit verleende verblijfsvergunning moest worden ingetrokken, laat evenwel onverlet dat de staatssecretaris, gelet op de in 2.1. weergegeven jurisprudentie, bij het besluit tot intrekking had dienen te beoordelen of hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd tot de conclusie leidt dat art. 3 van het EVRM zich tegen diens uitzetting naar het land van herkomst verzet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen