ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8217

Het ambtsbericht vermeldt dat China geen bijzondere aandacht heeft voor teruggekeerde asielzoekers, met uitzondering van personen afkomstig uit Tibet en Xinjiang. Deze laatsten worden bij terugkeer routinematig ondervraagd over hun verblijf in het buitenland. Voorts vermeldt het ambtsbericht dat over de behandeling van Tibetanen en Oeigoeren bij terugkeer naar China maar zeer beperkt informatie beschikbaar is, op basis waarvan het niet mogelijk is hierover algemene uitspraken te doen. […] De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat niet veel Chinese asielzoekers zijn teruggekeerd naar China. Hij heeft toegelicht dat hij niet beschikt over informatie over terugkerende Tibetanen en dat hij de etniciteit van vreemdelingen niet registreert. De vreemdeling heeft gesteld dat de staatssecretaris in 120 van de 160 Tibetaanse zaken die de praktijk van zijn gemachtigde in de afgelopen acht jaar heeft behandeld, een verblijfsvergunning asiel heeft verleend en dat de staatssecretaris in die periode geen Tibetanen heeft uitgezet. De staatssecretaris heeft vervolgens erkend dat hij niet met zekerheid kan zeggen hoeveel Tibetanen een verblijfsvergunning hebben gekregen en of hij de afgelopen jaren Tibetanen naar China heeft uitgezet. […] Gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen, alsmede in aanmerking genomen de inhoud van het ambtsbericht en de omstandigheid dat, anders dan voor Oeigoeren, de minister van Buitenlandse Zaken geen thematisch ambtsbericht heeft uitgebracht waarin hij ingaat op de situatie van Tibetanen die terugkeren naar China, heeft de Rb. niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als terugkerende Tibetaan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM bij terugkeer naar China. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen