ABRvS 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6368
In deze paragrafen [A6/5.3.3.1 en A6/5.3.3.5], in onderlinge samenhang gelezen, is ter zake van een inbewaringstelling op grond van art. 59, lid 1, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aansluiting gezocht bij het bepaalde in de artikelen 5.1a, lid 1, en 5.1b van het Vb 2000. De Rb. heeft in zoverre dan ook terecht geoordeeld dat het bepaalde in art. 5.1b van het Vb 2000 van betekenis is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van de vreemdeling.[…]. In de derde grief klaagt de vreemdeling dat de Rb., door aldus te oordelen, niet heeft onderkend dat het besluit van 3 augustus 2006 [afwijzende asielbeschikking wegens een door Duitsland ingewilligd verzoek tot terugname op grond van de Verordening] geen terugkeerbesluit is en hem niet verplichtte naar zijn land van herkomst of een ander land buiten de Europese Unie terug te keren. Hem is destijds derhalve geen vertrektermijn opgelegd. De grond dat hij zich daaraan niet heeft gehouden, is dan ook terecht niet aangekruist in de maatregel, aldus de vreemdeling. […]. De klacht van de vreemdeling is terecht voorgedragen, maar de grief kan niet tot het daarmee beoogde doel leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl