ABRvS 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5888
Ingevolge art. 1, lid 2 van de Wzt is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht. Die draagkracht wordt ingevolge art. 7, lid 1, bepaald door het toetsingsinkomen van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking te nemen. Ingevolge art. 8, lid 5 van de Awir, zoals dat gold ten tijde van belang, dient het toetsingsinkomen bij overlijden van de belanghebbende tijdsevenredig te worden herleid naar een jaarinkomen. Naar aanleiding van Kamervragen over de gevolgen van die herleiding voor nabestaanden en vooruitlopend op nieuwe wetgeving, heeft de staatssecretaris op 17 juni 2011, blijkens de weergave daarvan in de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, toegezegd de Belastingdienst de opdracht te geven om in het geval van zorg- en huurtoeslag het herleiden van het inkomen bij overlijden achterwege te laten in situaties waarin sprake is van een achterblijvende partner (Aanhangsel Handelingen II, 2010/11, nrs. 2854 en 2856). De Afdeling heeft aan de Belastingdienst de vraag gesteld of deze in de antwoorden van de staatssecretaris aanleiding had moeten zien de herleiding bij de in geding zijnde besluiten van 30 september 2011 achterwege te laten. De Belastingdienst heeft meegedeeld dat geen sprake is van een achterblijvende partner als bedoeld door de staatssecretaris, maar dat hij, in het licht van de door de staatssecretaris gedane toezegging, toch aanleiding heeft gezien om het nieuwe art. 8, lid 3 van de Awir, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2012, toe te passen. Dit heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst bij de berekening van de huurtoeslag over 2009 alsnog zal afzien van tijdsevenredige herleiding van het inkomen van wederpartij. Vooruitlopend daarop heeft de Belastingdienst het hoger beroep ten aanzien van die huurtoeslag ingetrokken. Wat betreft de zorgtoeslag heeft de Belastingdienst gesteld dat er sprake is van een zogenaamde alleenstaande aanspraak, omdat medebewoners niet worden meegenomen bij de berekening van de zorgtoeslag. Medebewoners hebben volgens de Belastingdienst een zelfstandige aanspraak op zorgtoeslag. De Belastingdienst heeft zich om die reden op het standpunt gesteld dat het inkomen van wederpartij voor de berekening van de zorgtoeslag wel tijdsevenredig herleid dient te worden. De Afdeling heeft vervolgens aan de Belastingdienst de vraag gesteld hoe het standpunt van de Belastingdienst zich verhoudt tot art. 8, lid 3 van de Awir, waarin ten aanzien van medebewonerschap geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende inkomensafhankelijke regelingen. De Belastingdienst heeft zich in antwoord daarop op het standpunt gesteld dat op grond van art. 8 van de Awir in samenhang gelezen met art. 7 van de Awir bij het herleiden van het toetsingsinkomen van de overleden belanghebbende, medebewoners slechts in aanmerking worden genomen, indien in de betreffende inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en zijn partner, ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de aanspraak van die belanghebbende. Niet in geschil is dat wederpartij geen partner had in de zin van de Awir. Om die reden wordt de draagkracht als bedoeld in het voornoemde art. 7, lid 1 van de Awir, bepaald door slechts haar toetsingsinkomen in aanmerking te nemen. Het toetsingsinkomen van wederpartij wordt dan, ingevolge art. 8, lid 3 van de Awir, zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2012 geldt en waarop door de Belastingdienst in dit geval wordt vooruitgelopen, tijdsevenredig herleid tot een jaarinkomen indien zij geen partner heeft en er geen sprake is van een medebewoner. Wederpartij had op het moment van overlijden kinderen die als medebewoner moeten worden aangemerkt in de zin van art. 2, lid 1 aanhef en onder e, van de Awir, zodat haar inkomen niet tijdsevenredig kon worden herleid. Weliswaar heeft de Belastingdienst terecht gesteld dat medebewoners ingevolge art. 7, lid 1 van de Awir bij de zorgtoeslag niet in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de draagkracht, maar ingevolge art. 8, lid 3 van de Awir, zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2012 geldt, worden deze wel meegenomen bij de vraag of bij overlijden van de belanghebbende het toetsingsinkomen van die belanghebbende tijdsevenredig moet worden herleid naar een jaarinkomen. Daarmee volgt de Afdeling de uitleg die de Belastingdienst aan deze bepaling geeft, niet. De Belastingdienst heeft derhalve bij het besluit van 30 september 2011 over de aan wederpartij verleende zorgtoeslag ten onrechte het toetsingsinkomen van wederpartij tijdsevenredig herleid naar een jaarinkomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl