ABRvS 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5559

Anders dan de Rb. heeft overwogen is een dergelijk verzoek ook een aanvraag in de zin van art. 23, aanhef en onder a, van de Vw 2000, nu met het verzoek niet slechts wordt beoogd dat het eerder genomen besluit wordt herzien, maar mede, en met name, is gericht op het alsnog verkrijgen van de verblijfsvergunning waarom eerder is verzocht. […] Het bij art. 3.101, lid 2 van het Vb 2000 bepaalde inzake het indienen van de aanvraag heeft alleen betrekking op de plaats van indiening en dat daaraan niet is voldaan brengt niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in art. 14 van de Vw 2000. Ook uit art. 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 volgt niet dat voor het van toepassing zijn van deze bepaling is vereist dat een aanvraag op de wettelijk voorgeschreven plaats is ingediend. Op het verzoek van 13 juni 2012 is echter eerst beslist op 24 augustus 2012, zodat de bewaring op de voet van art. 59, lid 1, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te lang heeft voortgeduurd. Nu de bewaring op die voet ingevolge art. 59, lid 4 van de Vw 2000 in geen geval langer mag voortduren dan vier weken en deze termijn is overschreden, kon art. 59, lid 6 van de Vw 2000 geen grondslag meer bieden voor de verlenging van de bewaring. De staatssecretaris heeft de termijn van de bewaring derhalve niet mogen verlengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen