ABRvS 23 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4694
Aangezien de vreemdelingen 1 tot en met 4 in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, is aannemelijk dat de vrijheid van vreemdeling 5 is ontnomen met het oog op haar uitzetting. Uit art. 93, lid 1 van de Vw 2000 volgt dat een maatregel van bewaring gelijk is gesteld met een besluit, opdat daartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De feitelijke vrijheidsontneming van vreemdeling 5 met het oog op haar uitzetting dient daarom gelijk te worden gesteld met een besluit als bedoeld in voormeld art. 93, lid 1. Vreemdeling 5 klaagt dan ook terecht dat de Rb. het door haar ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het voorgaande vindt steun in het arrest van het EHRM van 19 januari 2012, Popov tegen Frankrijk, nr. 39472/07 (www.echr.coe.int). […]. Nu vreemdeling 5 feitelijk haar vrijheid met het oog op uitzetting is ontnomen zonder een daartoe strekkende schriftelijke maatregel waarin de redenen uiteen zijn gezet voor het opleggen van de bewaring, voldoet deze niet aan de bij of krachtens de Vw 2000 gestelde vereisten voor het rechtmatig opleggen van een maatregel en is de maatregel in strijd met art. 5, lid 1, aanhef en onder f, van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl