ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412

Sluitingsbevel woning. Gelet op de tekst van art. 13b, lid 1 van de Opiumwet, beschikt de burgemeester bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester, terughoudend moet toetsen. De geschiedenis van de totstandkoming van art. 13b van de Opiumwet doet daaraan niet af. Weliswaar is in de Kamerstukken waarnaar appellante verwijst (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. In het licht van het voorgaande heeft de voorzieningenrechter het beleid om in het geval harddrugs zijn aangetroffen, anders dan bij softdrugs, zonder voorafgaande waarschuwing de sluiting van het betrokken pand te gelasten terecht niet onredelijk geacht. Gezien de grote hoeveelheden hard- en softdrugs en andere, aan drugshandel gerelateerde middelen die in de woning zijn aangetroffen, heeft de voorzieningenrechter sluiting van de woning voor de volgens de beleidsregels maximale duur van twaalf maanden evenzeer terecht niet onredelijk geacht. Het tijdsverloop tussen de vondst van verdovende middelen in de woning en de besluiten van 30 mei 2011 en 27 september 2011 biedt geen grond voor een ander oordeel. Daartoe wordt overwogen dat ingevolge art. 3:2 van de Awb de burgemeester gehouden is een besluit zorgvuldig voor te bereiden. Gelet op de ingrijpende strekking van de last onder bestuursdwang is de tijd tussen de vondst van verdovende middelen in de woning en het besluit van 30 mei 2011 niet onredelijk lang. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de politie op 16 december 2010 en 6 januari 2011 vervolgonderzoeken in de woning heeft verricht, waarover de burgemeester op 16 februari 2011 een rapport heeft ontvangen. Op 1 april 2011 heeft de burgemeester aan appellante het voornemen tot oplegging van de last onder bestuursdwang toegezonden. Naar aanleiding van haar zienswijze op dat voornemen heeft de burgemeester aanvullende informatie bij de politie opgevraagd, die op 25 mei 2011 is ontvangen. De tijd tussen de ontvangst van het tegen het besluit van 30 mei 2011 gemaakte bezwaar en het daarop genomen besluit van 27 september 2011 is evenmin onredelijk lang. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hangende bezwaar procedures bij de voorzieningenrechter en bij de bezwaarschriftencommissie hebben plaatsgevonden. Gezien de grote hoeveelheden hard- en softdrugs en andere, aan drugshandel gerelateerde middelen die in de woning zijn aangetroffen, heeft de burgemeester zich bij de besluiten van 30 mei 2011 en 27 september 2011 voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat het tijdsverloop sinds de vondst van die middelen er niet toe had geleid dat de openbare orde geheel en definitief was hersteld en dat derhalve sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden nog steeds noodzakelijk was om de loop van drugshandelaren of drugsgebruikers naar de woning definitief te beëindigen. De voorzieningenrechter heeft verder terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellante en haar dochter. Daartoe wordt overwogen dat aan appellante, mede gelet op de uitspraak van 29 juni 2011 waarbij het besluit van 30 mei 2011 is geschorst, tijd is gegeven om voor sluiting van de woning andere woonruimte voor haar en haar dochter te vinden, alsmede dat de burgemeester heeft verklaard dat hij bereid is daaraan mee te werken. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor omtrent de hoeveelheid en aard van de in de woning aangetroffen middelen is overwogen, heeft de voorzieningenrechter evenzeer terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang bij sluiting van de woning dan aan het belang van appellante en haar dochter bij het kunnen blijven wonen in de woning. De voorzieningenrechter heeft ten slotte terecht geen strijd met art. 8 van het EVRM aanwezig geacht. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in art.13b van de Opiumwet en derhalve bij de wet voorzien. Gezien hetgeen hiervoor omtrent de hoeveelheid en aard van de in de woning aangetroffen middelen is overwogen, mocht de burgemeester sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk achten ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen