ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4374

Afwijzing verzoek van wederpartij A om handhavend tegen een verharding op het perceel en het gebruik van het perceel op te treden. Niet in geschil is dat het perceel, waaronder het aangelegde parkeerterrein, wordt gebruikt ten behoeve van het ontvangen van bezoekers van het zogenoemde boerengolf en het verstrekken van consumpties en dat in strijd is met de op het perceel ingevolge de geldende bestemmingsplannen "Haarlemmerliede-Penningsveer 1998" en "Vereenigde Binnenpolder 2005" rustende bestemmingen. Het college kon daartegen handhavend optreden. Om concreet zicht op legalisering in verband met een nieuw bestemmingsplan aan te kunnen nemen is ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik, waar het handhavingsverzoek op ziet, past. In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisering, indien op voorhand duidelijk is dat het ontwerpplan geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. Ten tijde van het besluit van 18 april 2011 was het ontwerpbestemmingsplan "Liedeweg 32/38 c.a." ter inzage gelegd. Het gebruik van het perceel ten behoeve van boerengolf is in overeenstemming met dat ontwerpbestemmingsplan. De Rb. heeft ten onrechte op voorhand aangenomen dat het nieuwe bestemmingsplan uiteindelijk geen rechtskracht zal krijgen. Zij heeft de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 15 november 2011 in zaak nr. 201110081/2/R1, LJN: BU5375 en de daarin geconstateerde mogelijke gebreken ten onrechte als grond daarvoor aangemerkt. Die uitspraak dateert van na het besluit van 18 april 2011, terwijl het enkele feit dat onduidelijk is of het bestemmingsplan met art. 25 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van Provinciale staten van Noord-Holland van 21 juni 2010 strookt en of de toename van het aantal verkeersbewegingen aanvaardbaar is, onvoldoende is om op voorhand aan te nemen dat het bestemmingsplan geen rechtskracht zal krijgen. Of en in hoeverre de door de voorzitter geconstateerde gebreken in het bestemmingsplan met het rapport van Goudappel Coffeng zijn weggenomen, is evenmin van belang, nu dat in de procedure inzake het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ter beoordeling staat. De Rb. moest onderzoeken of op voorhand duidelijk was dat het nieuwe bestemmingsplan geen rechtskracht zou krijgen. Gelet op het voorgaande, heeft zij ten onrechte geconcludeerd dat het college ten tijde van het besluit van 18 april 2011 geen concreet zicht op legalisering mocht aannemen. De betogen slagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl