ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3025
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 7 lid 1, lid 3, 15 lid 1, 18b lid 1, 18f lid 1, lid 3 Beleidsregels bestuurlijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2010 1 lid 1, lid 2 Opleggen boetes wegens niet naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wmm). De rb. heeft overwogen dat, gelet op de geringe omvang van de bedragen en het ontbreken van opzet om enige regel te ontduiken, de opgelegde boete niet evenredig is aan de ernst van de overtredingen en de boete daarom in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201010993/1/H3 LJN: BR1401, gematigd tot € 823,00 door de hoogte van de te weinig betaalde bedragen met een factor 5 te vermenigvuldigen. Een bestuursorgaan moet bij de aanwending van een bevoegdheid, als waar het hier om gaat, ingevolge art. 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden, waaronder zij is begaan. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid voeren inzake het opleggen van boetes en de hoogte ervan. Ook indien het beleid door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan steeds te beoordelen of die voldoet aan de eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld, dat deze wel aan die eisen voldoet. De rechter beoordeelt zonder terughoudendheid of dit is gebeurd. De minister betoogt terecht dat de rb. ten onrechte het ontbreken van opzet bij het beoordelen van de evenredigheid van de boete heeft betrokken. Opzet is geen bestanddeel van de overtreding van art.7, eerste lid, en art. 15, eerste lid, van de Wmm. Zoals hiervoor onder 4.1. overwogen, moet het bestuursorgaan de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Wat betreft de wegens overtreding van art. 15, eerste lid, van de Wmm opgelegde boete, heeft de rechtbank terecht aanleiding gezien deze te matigen. De door haar toegepaste factor 5 leidt in dit geval echter niet tot een evenredige sanctie. De minister heeft naar aanleiding van de eerder vermelde uitspraak van de Afdeling nieuw te voeren beleid vastgesteld waarbij, anders dan voorheen, verschil wordt gemaakt naar de mate van onderbetaling. Volgens dat beleid zou de boete wegens onderbetaling van vakantiebijslag op € 233,00 worden gesteld. De Afdeling acht dit een evenredige sanctie. Wat betreft de wegens overtreding van art. 7, eerste lid, van de Wmm opgelegde boete, heeft de rechtbank evenzeer terecht aanleiding gezien deze te matigen. Het toepassen van een factor 5 leidt daarbij echter evenmin tot een evenredige sanctie. Hoewel in de beleidsregels verschil wordt gemaakt naar de mate en de duur van onderbetaling, dient in het kader van het beoordelen van de evenredigheid ook rekening te worden gehouden met de uitkomst van de toepassing van de beleidsregels in het desbetreffende geval. Volgens het gevoerde beleid wordt de hoogte van de boete mede bepaald door het bedrag aan onderbetaling als percentage van het loon. Dit heeft in dit geval tot gevolg dat een ten opzichte van andere overtredingen relatief gering bedrag aan onderbetaling met een relatief hoge boete, namelijk € 6.000,00, wordt bestraft. Dit leidt tot het oordeel dat de opgelegde boete in dit geval niet in redelijke verhouding staat tot de omvang van de overtreding. Gelet op de relatief geringe bedragen aan onderbetaling, namelijk onderscheidenlijk € 127,75 en € 34,02, bestaat aanleiding om in dit geval de boete wegens onderbetaling van loon vast te stellen op € 2.000,00. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de boete daarbij op € 823,00 is vastgesteld en is bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 april 2011. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. De boete wegens onderbetaling van vakantiebijslag, onderscheidenlijk loon, bedraagt € 233,00, onderscheidenlijk € 2.000,00. De totale boete wordt daarmee op € 2.233,00 vastgesteld. Het besluit van 6 december 2010 wordt herroepen en bepaald wordt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl