ABRvS 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816

Bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit behoeft de minister niet te toetsen of de terugkeer in strijd is met art. 8 EVRM. Ingevolge art. 3, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn dient de minister te onderzoeken of de vreemdeling op het moment van het nemen daarvan rechtmatig in Nederland verblijft en, zo nee, of er ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen op de vreemdeling de verplichting rust te vertrekken. Indien blijkt dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en op hem een verplichting rust te vertrekken, dan dient de minister ingevolge art. 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn, mede gelet op art. 7, lid 2, daarvan, te bezien of op grond van het door de vreemdeling gestelde familie- en gezinsleven aanleiding bestaat een termijn voor vrijwillig vertrek vast te stellen. Indien de vreemdeling meent in verband met het gestelde familie- of gezinsleven in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning dient zij dat te laten beoordelen in een procedure op basis van een daartoe ingediende aanvraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen