ABRvS 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1020
Afwijzing verzoek om geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (de gba) te wijzigen. Appellant heeft het college verzocht om zijn geboortedatum in de gba te wijzigen van 00-00-1959 in 03-03-1959. Hij heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een uitspraak van een Marokkaanse rechter van 28 januari 2009 en een geboorteakte van 8 december 2009 overgelegd. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 september 2009 in zaak nr. 200808162/1, LJN: BJ8906) moet uit het Logisch ontwerp worden afgeleid dat bij het onbekend zijn van een gegeven van de geboortedatum, de standaardwaarde op de persoonslijst van de desbetreffende persoon dient te worden vermeld. Het Logisch ontwerp biedt geen ruimte om van de toegepaste regel af te wijken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (bijvoorbeeld uitspraken van 27 april 2005, in zaak nr. 200409386/1, LJN: AT4703 en 20 juli 2005, in zaak nr. 200501437/1, LJN: AT9690), is in de mvt bij de Wet gba (Kamerstukken II 1988/1989, 21 123, nr. 3, blz. 45) uiteengezet dat art. 37, lid 2 van deze wet er onder meer toe strekt te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie worden opgenomen, indien bij het tot stand komen van het brondocument naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht elementaire processuele regels niet in acht zijn genomen. Daaronder is begrepen dat een buitenlandse rechterlijke uitspraak er blijk van geeft dat deze niet op, naar objectieve maatstaven gemeten, betrouwbare gegevens is gebaseerd. De Rb. heeft terecht overwogen dat aan de uitspraak van de Rb. te Nador geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Deze uitspraak is gebaseerd op een geboorteakte waarop alleen het geboortejaar van appellant is vermeld. Voorts steunt de uitspraak op een vreemdelingenkaart en op een administratieve verklaring welke niet als brondocument kunnen worden aangemerkt. Van enig zelfstandig onderzoek is niet gebleken. Gelet hierop is de Rb. op goede gronden tot het oordeel gekomen, dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak van 28 januari 2009 niet op naar objectieve maatstaven gemeten betrouwbare gegevens is gebaseerd en dat het terecht heeft geweigerd op basis hiervan de persoonsgegevens van appellant in de basisadministratie te wijzigen. Appellant betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft geoordeeld dat het afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 36, lid 2, onder e, van de Wet gba, hem niet kan baten nu een geschrift van een hogere orde voorhanden is. Uit de geboorteakte van appellant blijkt dat hij in 1959 is geboren. Appellant heeft gedurende de gehele procedure en voordien consequent verklaard dat hij is geboren op 3 maart van dat jaar. Verder heeft hij eerder beschikt over identiteitsbewijzen waarop 3 maart 1959 als geboortedatum was vermeld. Vermelding van die geboortedatum in de gba is in zijn belang omdat het een oplossing vormt voor de vele door hem geschetste en door het college niet weersproken praktische problemen waarvoor hij zich in het kader van registraties, grensoverschrijding en in het elektronisch verkeer gesteld ziet ten gevolge van de wijze waarop thans zijn geboortedatum in de gba is vermeld. Voorts is niet gebleken dat hij enig bijzonder belang heeft bij het afleggen van een onjuiste verklaring over zijn geboortedag en -maand, waarbij van betekenis is dat het geboortejaar vaststaat. Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en nu het document van hogere orde de geboortedag en -maand niet vermeldt, is de Afdeling van oordeel dat deze gegevens op zijn persoonslijst in de gemeentelijke basisadministratie kunnen worden ontleend aan van een door appellant] afgelegde verklaring als bedoeld in art. 36, lid 2, onder e, van de Wet gba. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl