ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0415
Afwijzing aanvraag van appellante voor ontheffing op grond van art. 68 van de Flora- en faunawet (Ffw) voor het doden van hazen en konijnen tussen zonsondergang en zonsopgang met behulp van geweer en kunstlicht op haar percelen. In haar uitspraak van 29 augustus 2007 in zaak nr. 200701189/1, LJN: BB2488, heeft de Afdeling overwogen dat uit art. 68, lid 1 van de Ffw volgt dat de bevoegdheid tot verlening van ontheffing van het verbod om te doden alleen is gegeven indien geen andere bevredigende oplossing bestaat. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Ffw (Kamerstukken 2004/05, 29 448, nr. 3, blz. 3) volgt verder dat de passage "voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van de wet vrijstelling is of kan worden verleend" in art. 68 van de wet de verhouding tussen enerzijds de artt. 65 en 67 van de wet en anderzijds art. 68 van de wet verduidelijkt en beoogt te voorkomen dat toepassing wordt gegeven aan art. 68 van de wet in situaties waarin schade met een vrijstelling op grond van art. 65 of art. 67 afdoende kan worden bestreden. Als een vrijstelling op grond van art. 65 of art. 67 niet passend is om een bepaalde schadeproblematiek aan te pakken, kunnen gedeputeerde staten in plaats van een vrijstelling of aanvullend aan een vrijstelling, ontheffing verlenen ingevolge art. 68 van de wet, aldus de wetgever. Gelet op het voorgaande mocht het college zich op het standpunt stellen dat het de aanvraag diende te beoordelen aan de hand van de voorwaarden neergelegd in art. 68 van de Ffw mede bezien in het licht van de reeds geldende vrijstellingen voor de diersoorten konijn en haas. Met de Rb. is de Afdeling dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat voor de diersoorten konijn en haas de in art. 65, lid 3 en 4 van de Ffw bedoelde vrijstellingen gelden, niet betekent dat het college bij de beoordeling van de aanvraag van appellante niet meer behoefde te toetsen aan de in art. 68 van de Ffw opgenomen voorwaarden. Dat in de toelichting bij het Besluit van 26 januari 2006, houdende wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in verband met de hernieuwde vaststelling van bijlagen 1 en 2 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Stb. 2006, 42), is vermeld dat konijnen verspreid over het hele land nog steeds veelvuldig belangrijke schade aan gewassen aanrichten en dat alternatieve vormen van schadepreventie nog immer onvoldoende mogelijkheden bieden en dat het Faunafonds in zijn advies van 12 september 2005 te kennen heeft gegeven daarmee in te kunnen stemmen, biedt geen grond voor een ander oordeel. Het Faunafonds heeft dat advies gegeven in verband met de plaatsing van de diersoort konijn op de vrijstellingslijst als bedoeld in art. 65 van de Ffw. Dit laat evenwel onverlet dat, zo nodig in aanvulling op een vrijstelling als bedoeld in art. 65 van de Ffw, ingevolge art. 68 slechts ontheffing kan worden verleend indien aan de in dat artikel neergelegde voorwaarden is voldaan. Het advies van het Faunafonds van 12 september 2005 ziet niet op die beoordeling. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat het college het standpunt mocht innemen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen andere bevredigende oplossing bestaat om de schade te voorkomen. Het college heeft zich, zoals de Rb. terecht heeft overwogen, mogen baseren op het advies van het Faunafonds, waarin is vermeld dat onder stroom te brengen verplaatsbare rasters in beginsel toereikend zijn om de gestelde schade tegen te gaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl