ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0393
De wijze waarop de minister invulling geeft aan de hem op grond van art. 8, lid 2 in samenhang met art. 2 van de Wvo toekomende bevoegdheid, is neergelegd in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie. De minister is bevoegd een verklaring te weigeren indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt de minister beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat de minister in punt 4 van de Beleidsregeling geen onredelijke invulling heeft gegeven aan de hem toekomende bevoegdheid neergelegd in art. 8, lid 2 van de Wvo. Niet in geschil is dat wederpartij in 2006 is veroordeeld voor misdrijven als genoemd in punt 4, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregeling. De minister heeft overeenkomstig de Beleidsregeling gehandeld door wederpartij geen verklaring te verlenen. Ingevolge art. 4:84 van de Awb kan de minister slechts overgaan tot het verlenen van de verklaring indien het weigeren ervan voor wederpartij gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregeling te dienen doelen. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister verklaard dat de staatssecretaris van Defensie wederpartij heeft aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en hem heeft toegelaten tot de AMO. Het betrof een aanstelling onder voorbehoud van het afgeven van de verklaring. Ingevolge art. 6 van de Wvo dient de minister uiterlijk binnen 8 weken een besluit te nemen over het afgeven van de verklaring. Wederpartij is op 24 juni 2009 aangemeld voor het veiligheidsonderzoek, hetgeen betekent dat de termijn als bedoeld in voornoemd artikel liep tot 19 augustus 2009. Na het verstrijken van deze beslistermijn heeft de minister noch de aanvrager van het veiligheidsonderzoek noch zijn feitelijk leidinggevende, de commandant, aan wederpartij mededelingen gedaan over de voortgang van het onderzoek of het verloop van de verdere procedure. Bij brief van 25 november 2009 heeft de minister aan wederpartij meegedeeld dat hij op de dag van opkomst op 7 december 2009 wordt aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht. Op deze datum is wederpartij ook begonnen met de AMO, welke hij op 2 april 2010 met goed gevolg heeft afgerond. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat met deze gang van zaken ten aanzien van wederpartij verwachtingen zijn gewekt omtrent het verlenen van de verklaring. Dit geldt te meer nu wederpartij onweersproken heeft gesteld dat hij voorafgaand aan zijn aanstelling reeds melding heeft gemaakt van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. Voorts wordt bij dit oordeel in aanmerking genomen dat het niet op de weg van wederpartij lag te informeren naar de stand van zaken ten aanzien van de afgifte van de verklaring, nu niet hij maar de staatssecretaris hem heeft aangemeld voor het veiligheidsonderzoek en wederpartij derhalve, na het verstrijken van de beslistermijn, niet bedacht hoefde te zijn op een negatief besluit. Voorts is de Afdeling met de Rb. van oordeel dat de minister in het besluit van 23 juni 2010 zijn standpunt ten aanzien van de gehanteerde terugkijktermijn van acht jaar gelet op de minderjarigheid van wederpartij ten tijde van de gepleegde strafbare feiten en de kans op recidive onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft in zijn besluitvorming ten onrechte geen aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de gepleegde strafbare feiten aan wederpartij in verband met diens minderjarigheid kunnen worden verweten dan wel toegerekend en in hoeverre het gerechtvaardigd is dat aan wederpartij op dit moment de mogelijkheid wordt ontnomen een werkkring te vinden die past bij de door hem gevolgde opleiding. Gelet op het rapport van Bureau Jeugdzorg Zeeland van 13 november 2007 lag het op de weg van de minister te motiveren waarom hij in dit geval recidivegevaar aanwezig acht. De enkele verwijzing naar algemene recidivecijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is hiervoor onvoldoende. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de Rb. met juistheid heeft overwogen dat de minister in zijn besluitvorming onvoldoende aandacht heeft besteed aan bovengenoemde omstandigheden.
De uitspraak op rechtspraak.nl