ABRvS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9681
De minister heeft de vastgestelde rijksbijdrage over het jaar 2008 met toepassing van art. 4:49, lid 1, aanhef en onder a, van de Awb gewijzigd en lager vastgesteld, omdat het onderwijsprogramma van de opleiding Kaderfunctionaris Bescherming en Afwerking niveau 4 niet ten minste 850 uren per volledig studiejaar omvatte, en de deelnemers aan die opleiding om die reden niet als deelnemer in de zin van art. 2.1.2., aanhef en onder b, van de UWEB, gelezen in samenhang met de artt. 1.1.1., aanhef en onder i1, en 7.2.7.,lid 3 van de WEB, konden worden aangemerkt, waardoor het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers op een lager bedrag uitkwam. Anders dan de minister betoogt, maakt de omstandigheid dat deze bij de berekening en vaststelling van de rijksbijdrage gebonden is aan de bekostigingssystematiek van de WEB en de UWEB en dat de vastgestelde rijksbijdrage daarmee in strijd bleek te zijn niet, dat deze bij de toepassing van art. 4:49, lid 1 van de Awb ook gehouden was de rijksbijdrage geheel ten nadele van de stichting te wijzigen. Deze bepaling geeft de subsidieverstrekker de bevoegdheid om ten nadele van de ontvanger terug te komen op een reeds vastgestelde subsidie. Bij toepassing van die bevoegdheid dient de minister, zoals de Rb. terecht heeft overwogen, een afweging te maken tussen het belang van een juiste vaststelling van rijksbijdragen enerzijds en de gevolgen van het terugkomen op de vaststelling van de rijksbijdrage voor de stichting anderzijds. De door de minister in het kader van diens betoog genoemde uitspraken zien op een andere vraag, te weten of deze al of niet een korting naar rato mag toepassen.
De uitspraak op rechtspraak.nl