ABRvS 20 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8721

Hoewel de vreemdeling de bewaringsgronden in beroep feitelijk niet heeft weersproken en deze derhalve op zichzelf terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, heeft hij wel aangevoerd dat hij zich niet aan uitzetting zal onttrekken en dat zijn gebrek aan voldoende middelen van bestaan inherent is aan zijn hoedanigheid van asielzoeker. Door aan dit laatste voorbij te gaan, heeft de Rb. niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 in zaak nr. 201202147/1/V3 (LJN: BW4359) volgt dat de gronden dat de vreemdeling niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan beschikt, niet van dien aard zijn dat hieruit op zichzelf dan wel in samenhang bezien reeds volgt dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Een nadere op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende toelichting is dan ook vereist. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval, een vreemdeling asielzoeker is en de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in zijn algemeenheid voor veel asielzoekers zullen gelden, aangezien de minister het beleid hanteert dat bewaring bij vreemdelingen die een asielaanvraag willen indienen of hebben ingediend zo beperkt mogelijk dient te geschieden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen