ABRvS 26 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8272
Afwijzing verzoek van appellante om haar en haar minderjarige kind het Nederlanderschap te verlenen omdat identiteit en nationaliteit niet kunnen worden vastgesteld. Niet in geschil is dat appellante bij haar verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en evenmin een geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd. Voor zover appellante betoogt dat zij zich in gelijke omstandigheden bevindt als haar broer en zus en het daarom van excessief formalisme getuigt dat haar verzoek is afgewezen louter omdat zij haar verzoek na 1 mei 2009 heeft ingediend leidt het betoog niet tot het beoogde doel. Uit de in 2.2 weergegeven Handleiding volgt dat met ingang van 1 mei 2009 appellante, hoewel zij in de verblijfsvergunningprocedure is vrijgesteld van het paspoortvereiste, een geldig buitenlands reisdocument bij haar naturalisatieverzoek dient over te leggen. Zij bevindt zich daarom niet in gelijke omstandigheden als haar zus en broer, die hun naturalisatieverzoeken vóór 1 mei 2009 hebben ingediend. Uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 11 oktober 2011 in zaak nr. 53124/09, Genovese tegen Malta (www.echr.coe.int/echr en JV 2012/107), volgt dat aan art. 8 van het EVRM geen aanspraak op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Slechts indien bij de afwijzing van een naturalisatieverzoek zich willekeur voordoet, kan onder bijzondere omstandigheden art. van het EVRM in beeld komen. Anders dan appellante heeft gesteld wordt het haar door de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie door de minister niet voor onbepaalde tijd onmogelijk gemaakt om genaturaliseerd te worden. Het betoog dat zich een arbitraire afwijzing voordoet wegens voormelde wijziging in het beleid van 1 mei 2009, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, slaagt niet. Dat appellante eerst na die wijziging een verzoek tot verlening van het Nederlanderschap heeft ingediend en haar verzoek is afgewezen omdat zij niet een volgens het gewijzigde beleid vereist geldig buitenlands paspoort heeft overgelegd, maakt de afwijzing van haar verzoek niet arbitrair. Voormelde beleidswijziging is reeds op 12 februari 2009 kenbaar gemaakt en toegelicht. Een situatie als in voormeld arrest bedoeld, doet zich hier dan ook niet voor. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu appellante geen gelegaliseerde geboorteakte en buitenlands reisdocument heeft overgelegd, haar identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan en haar verzoek om verlening van het Nederlanderschap niet voor inwilliging in aanmerking komt.
De uitspraak op rechtspraak.nl