ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7697

De Rb. heeft in het gegeven dat het college een dwangsom van € 20.000,00 per overtreding van art. 2 lid 1, aanhef en onder a Brandbeveiligingsverordening 2010 heeft opgelegd, terwijl voor diezelfde overtreding een bestuurlijke boete van ten hoogste € 9.000,00 kan worden opgelegd, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig is. Een bestuurlijke boete strekt tot bestraffing van een gepleegde overtreding, waarbij de ernst van de overtreding van belang is voor de hoogte van de opgelegde boete. Een dwangsom strekt tot het voorkomen van een overtreding. De hoogte van de op te leggen dwangsom dient in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De maximumhoogte van een mogelijk op te leggen boete in geval van overtreding is daarom niet van belang voor de hoogte van een op te leggen dwangsom. De Rb. heeft met juistheid overwogen dat een aantal brieven niet is aan te merken als beschikkingen als bedoeld in art. 5:37 lid 1 Awb en daarmee als besluiten als bedoeld in art. 1:3 Awb. Zoals de Rb. heeft overwogen volgt de verbeurte van de dwangsommen alsmede de verplichting tot betaling ervan rechtstreeks uit de wet. Indien het bestuursorgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen wenst over te gaan, dient het daartoe een beschikking te nemen. Dit volgt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 5:37 Awb (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Dat het college aan voornoemde brieven een acceptgiro heeft gehecht maakt dat niet anders. Daarmee is slechts een middel gegeven om de verbeurde dwangsommen te betalen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen