ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6527

Afwijzing aanvraag tot inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers en plaatsing op de zogenoemde Uitwijklijst. In art. 3 van de Wbtv zijn de competenties neergelegd, die een tolk of vertaler dient te bezitten. De eisen waaraan een tolk of vertaler dient te voldoen bij die competenties zijn neergelegd in art. 8 van het Bbtv. Beschikt een tolk of vertaler niet over een getuigschrift als bedoeld in art. 8, lid 1, aanhef en onder a, dan kan hij op grond van art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv in aanmerking komen voor inschrijving in het register, indien hij anderszins kan aantonen aan de wettelijke competenties te voldoen. Het Besluit inschrijving is vastgesteld ter invulling van art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv. In het Besluit inschrijving is neergelegd dat een tolk of vertaler in het register kan worden ingeschreven na het overleggen van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd, die voldoet aan het door de raad voor rechtsbijstand vastgestelde kader voor toetsen. Is een dergelijke toets niet beschikbaar, dan kan een verzoek tot inschrijving worden voorgelegd aan de commissie, indien een tolk of vertaler voldoet aan de in art.3 van het Besluit inschrijving omschreven instapcriteria. Zo al moet worden aangenomen dat met het bepaalde in art. 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv en art. 3 van het Besluit inschrijving zwaardere eisen worden gesteld en dat daarmee een indirect onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit is de Afdeling van oordeel dat voor het maken van dat onderscheid in het licht van het doel van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. De Afdeling vindt steun voor dat oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 1 e.v.). Daarin is vermeld dat tolken en vertalers binnen het Nederlandse rechtsbestel een onmisbare rol spelen. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler is betrokken, zijn doorgaans gebaseerd op het werk van de tolk of vertaler. Indien de kwaliteit van de tolk of vertaler onvoldoende is gewaarborgd, kan dit ongewenste gevolgen hebben voor de beslissingen die op hun werk zijn gebaseerd, aldus de wetgever. De wetgever heeft met de Wbtv beoogd waarborgen voor de kwaliteit en integriteit van tolken en vertalers te geven. Met de Wbtv beoogt de wetgever ook uitvoering te geven aan zijn, uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voortvloeiende verantwoordelijkheid voor het opzetten en instandhouden van een systeem waarbinnen in strafzaken voor de verdachten kosteloze tolkenbijstand is gegarandeerd en waaruit ook de verantwoordelijkheden voor de kwaliteit voortvloeien (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 3). De wetgever heeft daarbij, zoals volgt uit de toelichting bij het Bbtv (Stb. 2008, 555, blz. 9), reeds in aanmerking genomen dat het huidige aanbod van tolk- en vertaalopleidingen aan hogescholen en universiteiten, nog niet volgroeid is. Gelet hierop berusten de in art. 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met art. 8 van het Bbtv en het Besluit inschrijving, neergelegde eisen, in het licht van het doel van de Wbtv en het gegeven dat in bepaalde gevallen een afnameplicht uit het register bestaat, op redelijke en objectieve gronden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201011478/1/H3, LJN: BR6327), moet worden vooropgesteld dat uit art. 3 van de Wbtv, gelezen in verbinding met art. 8, lid 1, aanhef en onder a en b, van het Bbtv, en bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 8, blz. 8-9), voortvloeit dat een tolk slechts voor inschrijving in het register in aanmerking komt indien hij de taal waarvoor hij wenst te worden ingeschreven op hbo-niveau beheerst. In die uitspraak is voorts overwogen dat het op de weg van de tolk ligt om dit aan te tonen. De minister heeft op goede gronden overwogen dat uit de bij de aanvraag tot inschrijving overgelegde diploma's en getuigschriften niet kan worden afgeleid dat betrokkene de taal waarvoor hij inschrijving wenst op het vereiste niveau beheerst. Verder heeft de minister op goede gronden overwogen dat uit de door betrokkene overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat hij beschikt over de vereiste tolk- en vertaalvaardigheden. Nu de minister zich op het standpunt mocht stellen dat betrokkene niet aan de in art. 3 van het Besluit inschrijving neergelegde instapcriteria voldeed, heeft hij de aanvraag terecht niet voorgelegd aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers. De in beroep overgelegde overzichten van betalingen leiden niet tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd betrokkene op de Uitwijklijst te plaatsen als vertaler Nederlands <-> Somalisch.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen